ECLI:NL:RBBRE:2004:AR6716
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs onrechtmatige afvalstorting maïsrestanten
De economische politierechter te Breda behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het onrechtmatig storten van maïsafval buiten een inrichting in Ossendrecht. Primair werd overtreding van artikel 10.2 Wet Milieubeheer ten laste gelegd, subsidiair overtreding van artikel 13 Wet Pro bodembescherming.
Uit het dossier bleek dat verdachte een biologisch boerenbedrijf exploiteert waar maïs wordt geteeld. De maïsrestanten werden buiten de inrichting op eigen perceel opgeslagen en later op eigen grond ondergeploegd. Verdachte stelde dat dit geen afvalstorting was maar hergebruik als bodemverbeteraar. De rechter hanteerde de criteria van het Hof van Justitie voor de kwalificatie van afvalstof, waarbij het economisch voordeel en het voortzetten van het productieproces doorslaggevend zijn.
De rechter concludeerde dat de maïsrestanten als productieresidu niet automatisch afvalstof zijn, zeker niet wanneer hergebruik zeker is zonder voorafgaande bewerking. Het NFI-rapport bevestigde dat het hergebruik milieuhygiënisch verantwoord was en dat geen regulerende maatregelen noodzakelijk waren. Omdat niet was vastgesteld dat er schadelijke rottingsprocessen waren opgetreden, werd verdachte vrijgesproken van zowel de primaire als subsidiaire tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatige afvalstorting en bodemverontreiniging.