ECLI:NL:RBBRE:2004:AS4070
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Arbeidsgeschil over toepasselijk recht, loonvorderingen en opzegging arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat centraal de vraag welk recht van toepassing is op een arbeidsovereenkomst tussen eiser en B&J Group, en welke loonvorderingen toewijsbaar zijn. De arbeidsovereenkomst betrof een tijdelijk dienstverband voor zes maanden, met werkzaamheden deels in Nederland en deels in Bulgarije. De werkgever had de overeenkomst opgezegd, waarna eiser de vernietigbaarheid van het ontslag inriep.
De kantonrechter oordeelde dat partijen bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst een rechtskeuze voor Nederlands recht hadden gemaakt, mede vanwege verwijzingen naar dwingendrechtelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, betaling in euro’s en aansturing vanuit Nederland. Ook als geen rechtskeuze zou zijn gemaakt, was het Nederlandse recht van toepassing op grond van de nauwere band met Nederland.
De kantonrechter verklaarde zich bevoegd en wees een deel van de loonvorderingen toe, waaronder vakantiebijslag en niet-genoten vakantiedagen binnen de verjaringstermijn. Vorderingen betreffende loonbestanddelen buiten de verjaringstermijn en onkostenvergoeding werden afgewezen. De vordering tot verstrekking van loonspecificaties werd afgewezen omdat het toegewezen deel niet als loon werd beschouwd. De procedurekosten werden gecompenseerd.
De zaak werd verwezen voor verdere behandeling, waarbij het incident werd afgehandeld door de kantonrechter die zich bevoegd verklaarde.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd, wijst loonvorderingen deels toe en wijst andere vorderingen af wegens verjaring of onvoldoende onderbouwing.