ECLI:NL:RBBRE:2005:AS8848

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
1 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
4857-04
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Kok
  • Janssen
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens toewijzing schadevorderingen

In deze strafzaak heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte. Tijdens de terechtzitting zijn zowel de officier van justitie als de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord.

De rechtbank constateert dat een aanzienlijk deel van de door benadeelde partijen ingediende schadevorderingen reeds is toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot betaling van de schade. Gezien deze toewijzingen ziet de rechtbank geen ruimte meer om ook de ontnemingsvordering van de officier van justitie toe te wijzen.

Hoewel de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als juist wordt erkend, leidt dit niet tot toewijzing van de vordering. De rechtbank besluit daarom de ontnemingsvordering geheel af te wijzen. De uitspraak is gedaan door de rechtbank Breda op 1 maart 2005.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af vanwege toewijzing van schadevorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Parketnummer: 4857-04
Beslissing op de vordering ex artikel 36e van het wetboek van strafrecht.
In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorte[woonplaats],
wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,
heeft de officier van justitie de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.
1 De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- het strafdossier onder parketnummer 4857-04;
- het rapport van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;
- de overige stukken.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. Woodrow, advocaat te Tilburg.
2 De beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in het rapport van berekening op zich juist is.
De rechtbank ziet echter aanleiding om de vordering van de officier van justitie in zijn geheel af te wijzen.
Hiertoe wordt het volgende overwogen.
In de strafzaak tegen verdachte heeft zich een groot aantal benadeelde partijen gesteld. Een groot gedeelte van de door de benadeelde partijen ingediende vorderingen is door de rechtbank toegewezen waarbij verdachte telkens is veroordeeld tot betaling van de schade aan die benadeelde partijen. Gelet op de toewijzing van deze vorderingen ziet de rechtbank thans geen ruimte meer voor toewijzing van de ontnemingsvordering van de officier van justitie.
3 De beslissing.
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie d.d. 25 januari 2005, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Kok, voorzitter, mr. Janssen en mr. Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Van den Goorbergh en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 maart 2005.