ECLI:NL:RBBRE:2005:AU5574
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijk uurtarief voor vergoeding kosten rechtsbijstand na vrijspraak
De rechtbank Breda behandelde een verzoek op grond van artikel 591a Wetboek van Strafvordering tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand na een strafzaak die eindigde zonder straf of maatregel. Verzoeker was opgeroepen maar niet verschenen bij de zitting.
De rechtbank stelde vast dat de kosten van de raadsman daadwerkelijk en noodzakelijk waren, maar dat er geen schriftelijke overeenkomst of instemming over het uurtarief was. Daarom werd het loon van de raadsman beoordeeld aan de hand van artikel 7:405 Burgerlijk Pro Wetboek, waarbij het gebruikelijke en redelijke loon als maatstaf geldt.
De rechtbank volgde de jurisprudentie en het advies van de Orde van Advocaten, die jaarlijks een standaard uurtarief vaststelt. Omdat de zaak geen specialistische kennis vereiste, werd het uurtarief van €171,= gehanteerd. Daarnaast werd een forfaitaire vergoeding van €275,= toegekend voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift, en €8,80 aan reiskosten.
Het totale toegekende bedrag bedroeg €1.350,80. Het verzoek tot verdere vergoeding werd afgewezen. De beslissing werd uitgesproken door rechter Kooijman op 4 november 2005.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt toegekend tot een bedrag van €1.350,80 op basis van het standaard uurtarief van €171,=