ECLI:NL:RBBRE:2005:AU6419
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schorsing van geding wegens faillissement en bevoegdheidskwestie in overeenkomst van opdracht
In deze zaak vordert eiseres [A] betaling van een bedrag van € 2.854,58 van [B] B.V. en subsidiair van [C]. [B] is inmiddels failliet verklaard. Tijdens de mondelinge behandeling verschenen [B] en [C] niet, waarop de kantonrechter passende gevolgen verbond aan dit niet verschijnen.
De kantonrechter constateert dat door het faillissement van [B] het geding tegen deze partij geschorst moet worden op grond van artikel 29 Faillissementswet Pro, zodat [A] haar primaire vordering kan indienen ter verificatie bij de curator. De subsidiaire vordering tegen [C] wordt voorlopig niet behandeld zolang de primaire vordering niet is beslist.
De reconventionele vordering van [B] tot betaling van € 75.000 wegens vermeende wanprestatie wordt door [A] betwist met een beroep op onbevoegdheid van de kantonrechter. De kantonrechter oordeelt voorlopig onbevoegd te zijn omdat de vordering niet tot de kantonsector behoort en schorst het geding op grond van artikel 27 Faillissementswet Pro om de curator de mogelijkheid te geven het geding over te nemen.
De kantonrechter wijst erop dat [B] zelf verantwoordelijk is voor het oproepen van haar curator, maar zal deze rechtstreeks oproepen vanwege het ontbreken van een professionele gemachtigde. Alle verdere beslissingen worden aangehouden tot nadere afhandeling van deze punten.
Uitkomst: Het geding wordt geschorst en verdere beslissing aangehouden vanwege faillissement en bevoegdheidskwestie.