ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8518
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking vrijstelling BPM wegens onvoldoende eigen gebruik auto door verzoekster
Verzoekster, woonachtig in Nederland en werkzaam in de onderneming van haar echtgenoot in Duitsland, kreeg een BPM-vrijstelling voor een met Duits kenteken geregistreerde auto. Deze vrijstelling werd ingetrokken toen bleek dat de auto hoofdzakelijk door haar echtgenoot werd gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling op grond van artikel 2, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit BPM alleen geldt indien verzoekster zelf de auto voor ten minste 50% gebruikt voor haar werkzaamheden in het buitenland. Uit de overgelegde kilometeradministratie blijkt dat meer dan de helft van de kilometers door haar echtgenoot zonder verzoekster zijn gereden.
Verzoekster stelde zich op het standpunt dat medegebruik door haar echtgenoot was toegestaan en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, onder meer op basis van een gespreksnotitie met de Douane. De rechtbank acht dit niet aannemelijk en wijst het beroep af. De voorlopige voorziening wordt eveneens geweigerd, en de intrekking van de vrijstelling blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de BPM-vrijstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.