ECLI:NL:RBBRE:2005:AU9278
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.C.J. Bakx
- Rechtspraak.nl
Vergunningplicht voor exploitatie prostitutiebedrijf in woning en bevoegdheid handhaving
Verzoekster exploiteert een prostitutiebedrijf in haar woning zonder vergunning, hetgeen volgens de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een vergunningplichtige seksinrichting betreft. Het college van burgemeester en wethouders legde haar een last onder dwangsom op wegens overtreding van het verbod op het exploiteren van een seksinrichting zonder vergunning. Verzoekster betwistte dit en stelde dat haar woning niet als een voor het publiek toegankelijke ruimte kan worden aangemerkt en dat zij niet bedrijfsmatig zou handelen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het pand zowel als woning als seksinrichting kan worden aangemerkt, omdat verzoekster bedrijfsmatig prostitutie bedrijft en klanten werft. Het feit dat zij zelf bepaalt wie zij binnenlaat sluit niet uit dat het een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte is. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die het hoofdstuk van de APV als verordening kwalificeert en stelde vast dat de burgemeester bevoegd is tot handhaving, niet het college van burgemeester en wethouders.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Tevens werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat het primaire besluit werd herroepen. Verzoekster kreeg vergoeding van griffierecht en proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat de burgemeester bevoegd is tot handhaving, niet het college.