ECLI:NL:RBBRE:2005:BA4864

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
8 november 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/2047
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 27d AWRArt. 29 Wet OB 1968
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag en boete omzetbelasting na bezwaar

Belanghebbende kreeg voor de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van €191.337 en een boete van €87.638. Na bezwaar werd dit verminderd tot respectievelijk €69.215 en €34.467. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verder verminderd tot €66.102 en de boete tot €33.689.

De rechtbank oordeelde dat de naheffing wegens oninbare debiteuren terecht was opgelegd omdat belanghebbende geen bewijs leverde dat de facturen oninbaar waren, en de boete passend was wegens grove schuld. De naheffing wegens een aansluitingsverschil van €3.113 en de daarbij behorende boete van €778 werden echter vernietigd omdat de inspecteur onvoldoende bewijs leverde dat de administratie onjuist was.

Verder werd een boete van 10% opgelegd voor het niet tijdig voldoen van omzetbelasting over een factuur aan een bedrijf, wat de rechtbank passend achtte gezien de grove schuld van belanghebbende. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tevens tot vergoeding van proceskosten van €644 en het griffierecht van €276 aan belanghebbende.

Uitkomst: De naheffingsaanslag en boete omzetbelasting worden verminderd en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige
belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/2047
Uitspraakdatum: 8 november 2005
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende],
gevestigd en kantoorhoudende
te [woonplaats],
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst [regio],
verweerder.
Eiser en verweerder worden hierna ook belanghebbende en de inspecteur genoemd.
Betreft:
De uitspraak van de inspecteur van 20 mei 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting met nummer [0000.00.000.000.0000] en de gelijktijdig met voornoemde naheffingsaanslag genomen boetebeschikking.
Onderzoek ter zitting:
Het onderzoek ter zitting heeft, voor wat betreft de boete in het openbaar en voor wat betreft de belasting met gesloten deuren, plaatsgevonden op 25 oktober 2005. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de inspecteur.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 66.102,=;
- vermindert de boete tot een bedrag van € 33.689,=;
- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276,= vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 644,=, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden.
2. Gronden
2.1. Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 191.337,=, alsmede bij beschikking een boete van € 87.638,=. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van € 69.215,= en de boete verminderd tot € 34.467,=.
2.2. Tussen partijen zijn de volgende correcties en boetes in geschil:
I. De correctie omzetbelasting wegens oninbare debiteuren ten bedrage van € 8.934,= en de daarbij opgelegde boete van € 2.233,=.
II. De correctie omzetbelasting ten bedrage van € 3.113,= vanwege een aansluitingsverschil en de daarbij opgelegde boete van € 778,=.
III. De boete ad € 7.489,= terzake van het niet tijdig voldoen van de verschuldigde omzetbelasting betreffende de factuur aan [bedrijf] te [woonplaats].
Ten aanzien van de onder I genoemde correctie en boete
2.3. Nu belanghebbende geen creditfacturen heeft overgelegd en voorts niet op enige andere wijze heeft aangetoond dat de facturen niet betaald zijn of zullen worden, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de facturen terzake waarvan de inspecteur de correctie heeft toegepast de facto oninbaar zijn. De naheffing is derhalve terecht. De in verband hiermede opgelegde boete van 25% acht de rechtbank in het onderhavige geval passend en geboden. Belanghebbende wist of had moeten weten dat hetzij creditfacturen hadden moeten worden verstuurd indien belanghebbende had besloten de gefactureerde bedragen deels niet in te vorderen, hetzij een verzoek op grond van artikel 29 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) had moeten worden ingediend. Derhalve is het aan haar grove schuld te wijten dat te weinig belasting is voldaan. De rechtbank acht de boete passend en geboden.
Ten aanzien van de onder II genoemde correctie en boete
2.4. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig gesteld dat de bedragen op de grootboekrekening “Te vorderen BTW” te herleiden zijn naar de facturen en kasbonnen en dat op basis daarvan de aangifte omzetbelasting is gedaan. Nu de inspecteur in het controlerapport geen opmerkingen heeft gemaakt met betrekking tot de administratie van belanghebbende en de grootboekrekeningen, kan de enkele omstandigheid dat in een aantal andere subkolommen andere BTW-bedragen zijn vermeld, niet leiden tot de conclusie dat de grootboekrekening BTW onjuist is. De rechtbank is van oordeel dat, nu in de controle geen aanmerkingen op de administratie zijn gemaakt en de controleur alle bescheiden bij de controle heeft kunnen zien, op de inspecteur de bewijslast rust dat desalniettemin de grootboekrekening “Te vorderen BTW” niet de juiste omzetbelastingsituatie weergeeft en dat hij in dat bewijs niet is geslaagd. De naheffing ten bedrage van € 3.113,= en de in verband hiermede opgelegde boete ad € 778,= dienen derhalve te vervallen.
Ten aanzien van de onder III genoemde boete
2.5. Belanghebbende heeft erkend dat de omzetbelasting op de factuur aan [bedrijf] te [woonplaats] op onjuiste wijze is verwerkt. Het factuurstelsel brengt met zich dat de omzetbelasting in het onderhavige tijdvak had moeten worden aangegeven en voldaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, nu hij ondernemer is voor de omzetbelasting, dit wist of had moeten weten en dat het aan haar grove schuld te wijten is dat dat niet is gebeurd. De omstandigheid dat de omzetbelasting in een later jaar alsnog is betaald en aangegeven doet aan het voorgaande niet af. De opgelegde boete van 10% acht de rechtbank in het onderhavige geval passend en geboden.
2.6. Gelet op het onder 2.4. overwogene is het beroep gegrond.
2.7. In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die belanghebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en een wegingsfactor 1). De rechtbank acht geen gronden aanwezig voor het toekennen van een schadevergoeding aan belanghebbende op grond van artikel 8:73 Awb Pro.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren. De beslissing is op 8 november 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,
2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;
2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.