Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid, werd aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd aan de fiscale eenheid. Na bezwaar handhaafde de ontvanger de aansprakelijkstelling. Belanghebbende kwam hiertegen in beroep bij de rechtbank Breda.
Belanghebbende stelde dat de ontvanger ten onrechte had afgezien van het horen in de bezwaarfase ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe en dat de termijn voor motivering van het bezwaarschrift onredelijk kort was. De ontvanger stelde dat de naheffingsaanslagen onherroepelijk vaststonden en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, waardoor het horen achterwege mocht blijven.
De rechtbank oordeelde dat artikel 49, zesde lid, Invorderingswet 1990 het recht geeft om de aanslag te betwisten zolang geen onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. Omdat geen onherroepelijke uitspraak was gedaan, had de ontvanger inhoudelijk op de bezwaren moeten ingaan en belanghebbende moeten horen. Het achterwege laten van het horen was onrechtmatig en belanghebbende was daardoor in haar belangen geschaad.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en droeg de ontvanger op binnen twee maanden na onherroepelijkheid opnieuw uitspraak te doen, na horen van belanghebbende. Tevens werd de ontvanger veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.