RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/867
Uitspraakdatum: 12 januari 2006
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats eiser], eiser,
Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de Inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (verder: WAZ) naar een premie-inkomen van € 23.120,-.
1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Belanghebbende heeft € 37 griffierecht voldaan.
1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2005 te Breda.
Belanghebbende, noch zijn gemachtigde, is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen de heer [gemachtigde verweerder]
1.4. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, het volgende vast:
2.1.Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit en woont in België.
2.2. Belanghebbende houdt alle aandelen in een in Nederland gevestigde besloten vennootschap welke een dierenartspraktijk drijft. Belanghebbende is tevens enig directeur van deze vennootschap.
2.3. Belanghebbende geniet loon ter zake van de voor deze vennootschap verrichte werkzaamheden. Ter zake van dit loon is hij in Nederland onderworpen aan de heffing van loonbelasting, inkomstenbelasting en premies werknemersverzekeringen. Voor genoemde heffingen worden belanghebbendes werkzaamheden gekwalificeerd als zijnde in loondienst verricht.
2.4. Belanghebbende verricht tevens, als zelfstandig dierenarts, werkzaamheden in België. Ter zake van deze werkzaamheden is hij onderworpen aan de Belgische belastingheffing en sociale verzekeringswetgeving, voor de toepassing waarvan hij als zelfstandige wordt aangemerkt.
3.1. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland premieplichtig is voor de WAZ. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij baseert zijn opvatting op de Europese regelgeving ter zake, en met name op de verordening VO 1408/71 (hierna: de Verordening). De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Niet in geschil is, dat belanghebbende, krachtens Nederlands nationaal recht, behoort tot de kring van verzekerden voor de WAZ. Evenmin bestaat verschil van mening over de hoogte van het premie-inkomen.
4.2. Een met die van belanghebbende vergelijkbare situatie, betrekking hebbende op het jaar 1998, is voorgelegd aan de Hoge Raad (arrest van 14 februari 2003, nr 36 751, BNB 2003/141). In dat arrest besliste de Hoge Raad dat de in die casus verrichte werkzaamheden voor de WAZ dienden te worden aangemerkt als niet in loondienst verricht. Dientengevolge ontviel, met inachtneming van het bepaalde in artikel 14 bis van de Verordening, aan Nederland het recht betrokkene in de heffing van de WAZ te betrekken.
4.3. In 1999 is voor wat betreft de toepassing van de Nederlandse wetgeving een aanpassing op bijlage VI bij de Verordening aangebracht door opneming van de volgende bepaling: ”Degene die in Nederland werkzaamheden anders dan in dienstbetrekking verricht ten behoeve van een vennootschap waarin hij, in de zin van de Nederlandse wetgeving, een “aanmerkelijk belang” heeft (d.w.z. een belang dat recht geeft op tenminste 50 % van het stemrecht), wordt voor de toepassing van de bepalingen van titel II van de verordening beschouwd als iemand die activiteiten in loondienst uitoefent.” Deze wijziging is op 1 september 1999 van kracht geworden.
4.4. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de werkzaamheden van belanghebbende in het onderhavige geval, mede gelet op het bepaalde in het onder 4.2. genoemde arrest, aan het criterium “anders dan in dienstbetrekking verricht.” Voorts staat vast dat belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Nederlandse wetgeving, als bedoeld in de aangepaste bijlage VI bij de Verordening. Derhalve dient hij, voor de toepassing van de bepalingen van titel II van de Verordening, in Nederland te worden aangemerkt als iemand die activiteiten in loondienst uitoefent.
4.5. Ingevolge het bepaalde in art. 14 quater van de Verordening, juncto bijlage VII bij de Verordening is in een situatie als de onderhavige de wetgeving van toepassing van de Lidstaat op het grondgebied waarvan betrokkene werkzaamheden in loondienst uitoefent.
4.6. De namens belanghebbende nog opgeworpen stelling “dat in bijlage VI (bij de Verordening) geen uitbreiding van verzekeringsplicht kan plaatsvinden, aangezien die bijlage daartoe in het geheel niet bedoeld is”, is niet nader toegelicht. Wat daarvan verder zij, de rechtbank stelt vast dat de wijziging van bijlage VI niet dan met instemming van de overige EU-lidstaten tot stand kon komen. Nu kennelijk geen der EU-lidstaten zich heeft verzet tegen de door Nederland voorgestane uitbreiding van het bepaalde in bijlage VI bij de Verordening, neemt de rechtbank aan dat zulks kennelijk is geschied overeenkomstig datgene waarvoor de bijlage is bedoeld. De stelling treft derhalve geen doel.
4.7. Het gelijk is daarmee aan de Inspecteur.
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. D. Hund, voorzitter, en mrs. A.F.M.Q. Beukers – van Dooren en W. Brouwer, leden en op 12 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,
2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.