ECLI:NL:RBBRE:2006:AV1481
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en boetebeschikking na onroerendgoedtransactie
Belanghebbende verwierf in maart 2002 de onverdeelde helft van een kantoorpand met twee wooneenheden, waarbij de koopprijs in de notariële akte werd vastgesteld op €90.756. Daarnaast nam hij de helft van de hypothecaire schuld over, wat de rechtbank als onderdeel van de tegenprestatie aanzag. De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat de waarde van het onroerend goed volgens taxatierapporten aanzienlijk hoger was dan de in de akte genoemde koopprijs.
De rechtbank achtte de naheffingsaanslag terecht omdat de grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting de helft van de waarde van het onroerend goed op de leveringsdatum betrof, vastgesteld op €385.713. De inspecteur had de bewijslast voldoende voldaan met taxatierapporten en hoorverslagen. Ten aanzien van de boete stelde de rechtbank vast dat de notaris, als gemachtigde van belanghebbende, kennis had van het voornemen tot boeteoplegging en dat deze kennis aan belanghebbende kon worden toegerekend.
De rechtbank oordeelde dat de notaris ernstige nalatigheid had betracht door een akte te passeren waarbij te weinig overdrachtsbelasting werd afgedragen. De boete werd daarom terecht opgelegd, maar werd verminderd tot €1.000 omdat de inspecteur onvoldoende duidelijkheid gaf over de hoogte en motivering van de boete. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tevens in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht en de proceskosten door de Staat aan belanghebbende vergoed moeten worden.
Uitkomst: De naheffingsaanslag wordt gehandhaafd en de boete verminderd tot €1.000.