ECLI:NL:RBBRE:2006:AV8522
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens valsheid in geschrifte
Belanghebbende was directeur van een bedrijf dat X-afval verwerkte en liet creditfacturen opmaken op naam van gefingeerde leveranciers met vervalste ijkrapporten. Hij liet zich de factuurbedragen contant uitbetalen. Strafrechtelijk werd hij veroordeeld wegens valsheid in geschrifte.
De rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de contante bedragen ten behoeve van de onderneming zijn besteed. De verklaringen van getuigen in de strafzaak ondersteunen dit niet voldoende. Daarom worden de bedragen aangemerkt als inkomsten van belanghebbende in het kader van zijn arbeid.
Belanghebbende stelde dat het geld als smeergeld voor klanten was gebruikt, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank achtte de bewijslast bij belanghebbende en concludeerde dat hij niet aan deze bewijslast had voldaan. Het beroep tegen de navorderingsaanslag wordt ongegrond verklaard.
De rechtbank zag geen reden om getuigen opnieuw te horen en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is op 9 maart 2006 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2001 wordt ongegrond verklaard.