ECLI:NL:RBBRE:2006:AY4031
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingaftrek afwaarderingsverlies vorderingen op naam echtgenote niet toewijsbaar aan belanghebbende
Belanghebbende, die samen met zijn echtgenote op huwelijkse voorwaarden is getrouwd, had geld uitgeleend aan vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang had. De vorderingen waren echter op naam van zijn echtgenote gesteld. De inspecteur had een afwaarderingsverlies op deze vorderingen niet in aanmerking genomen bij de belastingaanslag over 2001.
De rechtbank stelde vast dat de vorderingen op grond van de huwelijkse voorwaarden tot het vermogen van de echtgenote behoren en dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat deze tot zijn vermogen behoren. Hierdoor kon hij de verliezen niet aftrekken. De inspecteur erkende dat dit ook geldt voor de inkomsten uit deze vorderingen.
Daarnaast overwoog de rechtbank dat op grond van het belastingverdrag met het woonland van belanghebbende de afwaarderingsverliezen alleen door dat woonland kunnen worden belast, omdat er geen sprake was van vervreemding. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, stelde het verlies uit werk en woning vast op € 2.010 en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2001 wordt verminderd tot nihil.