ECLI:NL:RBBRE:2006:AY9126
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belanghebbende overheidswerkgever moet worden gehoord bij bezwaar WW-uitkering werknemer
Eiseres, een overheidswerkgever, maakte bezwaar tegen de afwijzing van een WW-uitkering voor een voormalige werknemer. Verweerder, het UWV, had de WW-uitkering aanvankelijk geweigerd wegens onvoldoende verloren arbeidsuren, maar verklaarde het bezwaar gegrond en kende alsnog een uitkering toe.
Eiseres stelde dat zij als belanghebbende niet in de bezwaarprocedure was gehoord, wat in strijd is met artikel 7:2 van Pro de Awb en het beginsel van hoor en wederhoor. De rechtbank bevestigde dat een overheidswerkgever een voldoende actueel en concreet belang heeft bij besluiten over WW-uitkeringen van haar werknemers, mede vanwege de financiële gevolgen.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en oordeelde dat eiseres als belanghebbende had moeten worden gehoord voordat op het bezwaar werd beslist. Het niet toepassen van hoor en wederhoor leidt tot vernietiging van het bestreden besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en beval verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor.