ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ1575
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen terbeschikkingstelling van blote eigendom aan BV bij bedrijfsopvolging
Belanghebbende participeerde in het bedrijf van haar werkgever door een BV op te richten die samen met de BV van haar werkgever een VOF vormde. Zij verwierf de blote eigendom van het pand waarin de onderneming werd uitgeoefend, terwijl het vruchtgebruik bij haar werkgever bleef. De onroerende zaak werd verhuurd aan de VOF.
De inspecteur legde een aanslag op waarbij hij uitging van terbeschikkingstelling van vermogen door belanghebbende, met als gevolg dat de waardeaangroei van de blote eigendom als resultaat uit overige werkzaamheden werd belast. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat er geen sprake was van terbeschikkingstelling, omdat zij niet de volle eigendom bezat en het vruchtgebruik bij derden lag.
De rechtbank stelde vast dat de blote eigendom niet aan de BV ter beschikking was gesteld, omdat het vruchtgebruik niet aan de BV toekomt en de huurinkomsten door de vruchtgebruikers worden genoten. Ook aan de VOF was geen terbeschikkingstelling, omdat de onroerende zaak slechts werd verhuurd. De rechtbank oordeelde dat het inkomen uit de blote eigendom in box 3 valt en niet in box 1, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verminderde de aanslag tot een verzamelinkomen van € 22.624.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur in de proceskosten en wees de Staat aan als de partij die deze kosten moet vergoeden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep en cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van terbeschikkingstelling aan de BV of VOF, waardoor het inkomen uit de blote eigendom in box 3 valt en de aanslag wordt verminderd.