ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ2964
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Waarde bepaling van echtelijke woning bij successie en toepassing waardedrukkende factor bewoning
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de waardering van de echtelijke woning in het kader van de successierechten centraal. De woning was eigendom van de overleden erflaatster en haar echtgenoot, die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Na het overlijden van de erflaatster werd de vraag gesteld of de woning tot de nalatenschap behoorde en welke waarde daaraan moest worden toegekend.
De inspecteur stelde dat de woning tot de nalatenschap behoorde en waardeerde deze op de waarde in vrij opleverbare staat, terwijl belanghebbenden de woning niet tot de nalatenschap rekenden en uitgingen van de waarde bewoond. De rechtbank oordeelde dat de woning voor de helft deel uitmaakt van de nalatenschap, ongeacht de ouderlijke boedelverdeling waarbij de langstlevende echtgenoot alle zaken kreeg toegewezen.
Verder stelde de rechtbank vast dat de woning op de waarde in het economische verkeer op de sterfdatum moet worden gewaardeerd, rekening houdend met de voortgezette bewoning door de langstlevende echtgenoot van 85 jaar. De rechtbank achtte een waardedrukkende factor van 10% redelijk vanwege deze bewoning.
Op basis hiervan werd de aanslag verminderd, waarbij de totale verkrijging werd verlaagd met de helft van 10% van de getaxeerde waarde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en gelastte de vergoeding van het betaalde griffierecht. De inspecteur werd niet veroordeeld in proceskosten wegens onvoldoende aannemelijkheid van gemaakte kosten door belanghebbenden.
Uitkomst: De rechtbank stelde vast dat de woning tot de nalatenschap behoort en paste een waardedrukkende factor van 10% toe, waardoor de aanslag werd verminderd tot een verkrijging van € 45.367 per verkrijger.