ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ3275
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermomd dividend en renteaftrek in inkomstenbelasting bij niet betaalde rente
Belanghebbende, houder van een aanmerkelijk belang in een vennootschap, had in 1999 een schuld in rekening courant bij die vennootschap waarvoor geen rente werd berekend of betaald. De inspecteur verhoogde daarop het belastbaar inkomen van belanghebbende met een bedrag dat overeenkomt met een fictieve rente, aangezien de vennootschap zich ten behoeve van belanghebbende een voordeel heeft laten ontgaan. De rechtbank acht dit terecht en stelt dat dit voordeel volgens artikel 20a, eerste lid, letter a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 tot het inkomen van belanghebbende moet worden gerekend en belast tegen het bijzondere tarief van 25%.
De rechtbank oordeelt verder dat de situatie vergelijkbaar is met een rentebetaling gevolgd door een dividenduitkering en dat belanghebbende daarom het recht heeft om de rente tot het wettelijk maximum als persoonlijke verplichting in aftrek te brengen. De aanslag is echter te hoog vastgesteld omdat het bedrag ten onrechte is belast tegen het tabeltarief in plaats van het bijzondere tarief. Tevens vernietigt de rechtbank de boetebeschikking omdat de inspecteur onvoldoende inzicht gaf in de grondslag en motivering van de boete.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vermindert de aanslag, vernietigt de boetebeschikking, en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten. Tevens wordt het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de boetebeschikking vernietigd.