ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ3390

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
10 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
parketnr. 2517-04rk-nummer: 06/339
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Kooijman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a SvArt. 9a SrArt. 12 SvArt. 43 SvArt. 89 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schadevergoeding wegens te late indiening

De rechtbank Breda behandelde een verzoekschrift ex artikel 591a Wetboek van Strafvordering tot toekenning van een schadevergoeding aan verzoeker. Het verzoek betrof kosten van rechtsbijstand en andere gerelateerde kosten, ingediend nadat meer dan drie maanden waren verstreken sinds de kennisgeving van het sepot door de Officier van Justitie op 17 december 2005.

Verzoeker stelde dat de late indiening werd veroorzaakt doordat hij had willen afwachten of het slachtoffer tegen het sepot beklag zou doen bij het Gerechtshof. De rechtbank verwierp dit verweer, omdat de mogelijkheid van het slachtoffer om beklag te doen geen reden is om de wettelijke termijn voor het indienen van het verzoek te overschrijden.

De rechtbank oordeelde dat de beslissing van de raadsman om het instellen van een eventueel beklag af te wachten onjuist was en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk. Tevens werd opgemerkt dat indien verzoeker ontvankelijk zou zijn geweest, het verzoek tot vergoeding alsnog zou zijn afgewezen. De beslissing werd gegeven op 10 november 2006 door rechter Kooijman.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het verzoek tot schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
parketnr. 2517-04
rk-nummer: 06/339
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 591a wetboek van strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 591a van het wetboek van strafvordering ingekomen ter griffie op 9 maart 2006, in de zaak:
[verdachte],
[geboortedatum en plaats]
[adres]
1. De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
? het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat tot een bedrag van €. 1.713,60, ter zake van:
? de kosten van rechtsbijstand;
? de kosten raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van bovenvermeld verzoekschrift en het verzoekschrift ex artikel 89 wetboek Pro van strafvordering;
? de kennisgeving van sepot van 17 november 2005;
? het proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 27 oktober 2006, waaruit blijkt dat de officier van justitie alsmede verzoeker en zijn raadsman zijn gehoord.
2. De beoordeling.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het wetboek van strafrecht.
Het verzoekschrift is ingediend nadat meer dan 3 maanden waren verstreken nadat de Officier van justitie op 17 december 2005 aan verzoeker had kennis gegeven dat zijn zaak is geseponeerd omdat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden was.
Tijdens het onderzoek in raadkamer is door de raadsman van verzoeker aangevoerd dat de late indiening van het verzoekschrift zijn oorzaak vindt in het feit dat verzoeker heeft willen afwachten of het slachtoffer tegen de beslissing van de Officier van Justitie, beklag had gedaan bij het Gerechtshof. Dat verweer verwerpt de rechtbank, nu de mogelijkheid van het slachtoffer om beklag te doen er niet aan in de weg staat om binnen de wettelijke termijn een verzoek als het onderhavige te doen. Indien daarna ter zitting zou komen vast te staan dat het slachtoffer beklag heeft gedaan, dan is het vervolgens aan de rechter die het verzoek tot schadevergoeding behandelt om zonodig het verzoek aan te houden in afwachting van de beslissing inzake het beklag.
Op grond van vorenstaande moet worden geoordeeld dat de beslissing van de raadsman om een eventueel beklag ex art 12 SV Pro af te wachten onjuist is geweest, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker.
Ten overvloede verwijst de rechter naar artikel 43 van Pro het wetboek van strafvordering. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de toevoeging van een raadsman geldt voor de gehele aanleg. Dit betekent dat de behandeling inzake appèllen en de advisering omtrent het instellen van hoger beroep eveneens vallen onder de toevoeging voor de eerste aanleg. Indien verzoeker ontvankelijk zou zijn in zijn verzoek zou de rechter het verzoek tot toekenning van een vergoeding op grond van voormeld artikel hebben afgewezen.
3. De beslissing.
De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is op 10 november 2006 gegeven door mr.Kooijman , rechter, in tegenwoordigheid van Van Gastel, griffier.