ECLI:NL:RBBRE:2006:BA6389
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens valsheid in geschrifte
Belanghebbende was bestuurder van een BV die wereldwijd in- en verkoop van schroot verrichtte. Tijdens een Fiod-onderzoek werd vastgesteld dat belanghebbende contante bedragen ontving op basis van vervalste creditfacturen. Hoewel belanghebbende stelde dat deze gelden als smeergeld voor klanten waren gebruikt, kon hij dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank oordeelde dat het vermoeden dat belanghebbende de bedragen voor zichzelf heeft gehouden, niet is ontzenuwd. Verklaringen van andere personeelsleden waren onvoldoende bewijs voor doorbetaling aan derden. De navorderingsaanslag werd gehandhaafd omdat de bedragen als inkomen van belanghebbende moesten worden aangemerkt.
De rechtbank zag geen reden om getuigen uit de strafzaak opnieuw te horen en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige belastingkamer van de rechtbank Breda op 9 maart 2006.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1999 en 2000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt gehandhaafd.