ECLI:NL:RBBRE:2006:BB4479
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing en dubbele belasting op Antilliaans nabestaandenpensioen
De rechtbank Breda behandelde het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2002. Belanghebbende ontving in 2002 een Nederlandse AOW-uitkering, een Nederlands nabestaandenpensioen en een Antilliaans nabestaandenpensioen. De kern van het geschil betrof de wijze waarop de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over het Antilliaanse pensioen moest worden berekend.
Belanghebbende stelde dat de belastingheffing en premieheffing over het Antilliaanse pensioen de grenzen van redelijkheid overschreed, omdat zij meer belasting betaalde dan verschuldigd zou zijn als Nederland de heffing volledig zou uitvoeren. Zij vorderde daarom een beperking of afzien van belastingheffing over het Antilliaanse inkomen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 het wereldinkomen van in Nederland wonende natuurlijke personen belastbaar is, inclusief het nabestaandenpensioen. Het Belastingregeling Koninkrijk (BRK) wijst de heffingsbevoegdheid over het nabestaandenpensioen aan de Nederlandse Antillen toe, maar artikel 24 BRK Pro staat Nederland toe het pensioen in het belastbaar inkomen op te nemen met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur de aanslag terecht heeft opgelegd met inachtneming van de wettelijke vermindering. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank tevens oordeelde dat zij niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2002 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.