ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9150

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
1 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/1912
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.67 Wet IB 2001Art. 44e Wet IB 1964Afdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing oudedagsreserve na oplegging navorderingsaanslag inkomstenbelasting

In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal de vraag of belanghebbende, nadat hem een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2002 was opgelegd, alsnog kon doteren aan de oudedagsreserve terwijl hij dit niet had gekozen vóórdat de aanslag onherroepelijk werd.

Belanghebbende stelde dat artikel 3.67, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) dit toelaat, terwijl de inspecteur dit betwistte met het argument dat de keuze voor dotatie bij de aangifte definitief is zodra de aanslag onherroepelijk is geworden.

De rechtbank oordeelde dat de tekst van artikel 3.67 Wet IB 2001 en de gewijzigde fiscale winstbepaling sinds de invoering van deze wet meebrengen dat toevoeging aan de oudedagsreserve ook na oplegging van een navorderingsaanslag mogelijk is. Dit in tegenstelling tot de eerdere regeling onder de Wet IB 1964, waar bij de aangifte moest worden gekozen.

De navorderingsaanslag werd verminderd met € 5.874, het bedrag van de dotatie aan de oudedagsreserve. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tevens in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed.

Uitkomst: De navorderingsaanslag is verminderd en belanghebbende mag alsnog doteren aan de oudedagsreserve na oplegging van de aanslag.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/1912
Uitspraakdatum: 1 februari 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 7 maart 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.014 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 322.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, alsmede de inspecteur.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.140 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 322;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen;
- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan hem vergoedt.
2. Gronden
2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende, nadat aan hem de onderhavige
navorderingsaanslag is opgelegd, kan doteren aan de oudedagsreserve terwijl hij vóórdat de aanslag over het jaar 2002 onherroepelijk is komen vast te staan er niet voor heeft gekozen om te doteren aan de oudedagsreserve. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend. Niet in geschil is dat belanghebbende voor het overige voldoet aan de voorwaarden voor het kunnen toevoegen aan de oudedagsreserve
2.2. Belanghebbende betoogt dat op grond van de tekst van artikel 3.67, eerste lid, van de Wet IB toevoeging aan de oudedagsreserve in het onderhavige geval mogelijk is. De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende en stelt kort gezegd dat dotatie niet mogelijk is, nu belanghebbende bij de aangifte heeft gekozen om niet te doteren terwijl dit wel mogelijk was en het niet mogelijk is om terug te komen op de eerder door hem gemaakte keuze aangezien de aanslag over 2002 onherroepelijk vast staat.
2.3. Artikel 3.67, eerste lid, van de Wet IB (tekst 2002) luidt:
“De ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve.”
2.4. Met de onderhavige navorderingsaanslag is de winst uit onderneming van belanghebbende € 434 hoger vastgesteld dan het bedrag van de winst uit onderneming waar de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op is gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij sprake van ‘het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst’ in de zin van artikel 3.67 voornoemd. Voorts is in artikel 3.67 voornoemd noch enig andere geldende bepaling omtrent (toevoeging aan) de oudedagsreserve opgenomen dat bij het indienen van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen moet worden gekozen voor toevoeging aan de oudedagsreserve, zoals op grond van artikel 44e van de Wet IB 1964 nog wel een vereiste was onder de toen geldende regeling betreffende de fiscale oudedagsreserve. Hoewel in de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 ten aanzien van de oudedagsreserve niet is gezegd dat met betrekking tot het maken van een keuze voor dotatie een wijziging is beoogd ten opzichte van de regeling zoals deze gold onder de Wet IB 1964, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de letterlijke lezing van de tekst van artikel 3.67, eerste lid voornoemd bezien in samenhang met het feit dat met invoering van Wet IB 2001 de toevoeging aan de oudedagsreserve onderdeel uit is gaan maken van de fiscale winstbepaling, hetgeen een ingrijpende wijziging van de regeling inhoudt ten opzichte van vóór 2001, dat toevoeging aan de oudedagsreserve in het onderhavige geval mogelijk is. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat aan het alsnog kunnen toevoegen aan de oudedagsreserve geen gevolgen zijn verbonden voor de onherroepelijk vaststaande aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen in die zin dat deze daardoor wordt verhoogd of verminderd. In dat geval kan dan ook niet worden gezegd dat de door belanghebbende gedane keuze onherroepelijke gevolgen heeft gehad waarop, door thans alsnog te kiezen voor doteren, wordt teruggekomen.
2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat het inkomen uit werk en woning waar de navorderingsaanslag op is gebaseerd met € 5.874 moet worden verminderd.
2.6. Nu het beroep reeds op grond van het vorenoverwoge gegrond moet worden verklaard, gaat de rechtbank voorbij aan belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.
3. Proceskosten
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank gaat hierbij uit van twee samenhangende zaken waarbij belanghebbende in het gelijk is gesteld, te weten de onderhavige zaak en de zaak bij de rechtbank bekend onder nummer 06/1911. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 644 (1 punt voor het indienen van het 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1), waarvan de helft voor de onderhavige zaak.
Deze uitspraak is gedaan op 1 februari 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.