ECLI:NL:RBBRE:2007:BA1627
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Kooijman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot compensatie voorlopige hechtenis met openstaande straf
De rechtbank Breda behandelde een verzoek ex artikel 90 lid 4 in Pro combinatie met artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ingediend door een raadsman namens zijn cliënt die 103 dagen in voorlopige hechtenis had gezeten en vervolgens veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van drie weken. De raadsman verzocht om de te lang doorgebrachte voorlopige hechtenis in mindering te brengen op de nog openstaande straffen.
De rechtbank oordeelde dat artikel 89 Sv Pro alleen een schadevergoeding toestaat indien een zaak eindigt zonder straf of met een straf voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet was toegelaten. Omdat hier sprake was van een veroordeling voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis wel was toegelaten, kon geen schadevergoeding worden toegekend en daarmee ook geen compensatie in de vorm van strafvermindering.
Hoewel in het verleden een andere praktijk bestond en de strikte toepassing van de aanwijzing van het College van Procureurs-generaal in dit geval als onredelijk kan worden ervaren, zag de rechtbank geen wettelijke grondslag om anders te beslissen. De rechtbank verwees naar het College van Procureurs-generaal en de wetgever om een regeling te treffen die redelijkheid waarborgt.
De rechtbank wees het verzoek af. De beslissing werd uitgesproken door rechter Kooijman op 28 maart 2007 in aanwezigheid van griffier Van Gastel.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot compensatie van te lang doorgebrachte voorlopige hechtenis af.