ECLI:NL:RBBRE:2007:BA2518

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
1 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/937
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingaanslag en bewijsvoering bij inkomsten uit prostitutie

In deze zaak heeft de Rechtbank Breda op 1 maart 2007 uitspraak gedaan in een geschil tussen een belanghebbende, die inkomsten uit prostitutie genoot, en de inspecteur van de Belastingdienst. De belanghebbende had in het jaar 2003 geen administratie bijgehouden van haar inkomsten, maar had deze later gereconstrueerd. De inspecteur voegde een bedrag aan omzet bij de aangifte van de belanghebbende, maar de rechtbank oordeelde dat de inspecteur deze bijtelling niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank stelde vast dat de bijtelling niet was gebaseerd op objectieve gegevens en dat de inspecteur niet had aangetoond dat de belanghebbende te weinig omzet had aangegeven.

De rechtbank verklaarde het beroep van de belanghebbende gegrond en vernietigde de uitspraken op bezwaar, evenals de boetebeschikking. De aanslag werd verlaagd van € 16.410 naar € 12.006. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbende, die op € 215 werden vastgesteld, en moest de Staat het door de belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 vergoeden. De rechtbank benadrukte dat de inspecteur de bewijslast had en dat de stellingen van de belanghebbende geloofwaardig waren. De uitspraak bevatte ook instructies voor het instellen van hoger beroep, waarbij partijen binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep konden aantekenen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/937
Uitspraakdatum: 1 maart 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
Belanghebbende, wonende te woonplaats, eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 10 januari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.410.
Zitting
Het onderzoek ter zitting, waar de zaken met de procedurenummers 06/935 tot en met 06/938 tegelijk zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 15 februari 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar alsmede de boetebeschikking;
- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.006;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 215, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;
- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.
2. Gronden
1.1. Vaststaat dat belanghebbende in de maanden januari tot en met oktober van het onderhavige jaar inkomsten genoot uit prostitutie. Tevens staat vast dat belanghebbende daarvan toen geen administratie heeft bijgehouden maar daar later een administratie van heeft gereconstrueerd.
2.2. Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen waarbij de inkomsten uit de prostitutie als resultaat uit overige werkzaamheden zijn aangegeven. Dat inkomen is gebaseerd op een door belanghebbende gereconstrueerde administratie welke aan de hand van de dagen dat zij voor haar werkzaamheden een kamer huurde is opgesteld. De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte afgeweken en heeft een bedrag aan omzet bijgeteld (€ 4.404) en kosten ter zake van werkkleding en huidverzorging (€ 482) in aftrek geweigerd.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de met haar activiteiten behaalde omzet tot een te laag bedrag heeft aangegeven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken van het geding noch op grond van het verhandelde ter zitting, de inspecteur verklaarde ter zitting desgevraagd dat het bedrag van de omzetbijtelling niet is gebaseerd op branchegegevens of andere objectieve gegevens, is af te leiden waarop het bedrag van de omzetbijtelling is gebaseerd. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende blijkens haar bankrekening onwaarschijnlijk weinig huishoudelijke uitgaven heeft gedaan baat hem niet. Belanghebbende heeft gesteld, en de rechtbank hecht hieraan geloof, dat haar bijverdiensten na aftrek van de betaalde huur geheel aan die uitgaven zijn besteed. Dat daarbij geen rekening is gehouden met nog verschuldigde omzetbelasting en inkomstenbelasting doet daar niet aan af. Andere bestedingen die uit het inkomen van belanghebbende niet kunnen worden verklaard zijn gesteld noch gebleken. De omzetbijtelling zoals die door de inspecteur is gedaan kan derhalve evenmin worden verantwoord uit belanghebbendes uitgavenpatroon in het onderhavige jaar
2.4. Bij de aanslag is naast de omzetbijtelling tevens de aftrek van de in 2.3 genoemde uitgaven geweigerd. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven ter zake van de kleding en huidverzorging in het kader van de onderneming zijn gedaan. De enkele stelling dat dit wel het geval is, is onvoldoende zodat de aftrek terecht is geweigerd.
2.5. Op grond van het vorenoverwogene is de aanslag voorzover die de omzetbijtelling betreft te hoog vastgesteld. Het bij de aanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning moet derhalve met € 4.404 worden verminderd tot € 12.006.
2.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard en is beslist als vorenvermeld.
2.7. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Nu de zaken van belanghebbende met procedurekenmerken 06/935, 06/937 en 06/938 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenveroordeling uitspreken van, afgerond, € 215.
Deze uitspraak is gedaan op 1 maart 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. D. Hund en mr.drs. G.H.C. Blommers, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.