ECLI:NL:RBBRE:2007:BA6643
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot handhaving concurrentiebeding na functiewijziging zonder schriftelijke bevestiging
De zaak betreft een geschil tussen een werkgever en een voormalig werknemer over de handhaving van een concurrentiebeding na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer was oorspronkelijk manager kennis- en productontwikkeling en werd later benoemd tot operationeel directeur, waarbij het concurrentiebeding uit het oorspronkelijke contract niet schriftelijk is herbevestigd.
De werkgever vorderde in kort geding dat de werknemer wordt verboden werkzaamheden te verrichten voor cliënten van de werkgever, waaronder Jeugdzorg Amsterdam en CIZ, op grond van het concurrentiebeding. De werknemer betwistte de toepasselijkheid van het beding na de functiewijziging en stelde dat het beding daardoor niet langer geldig was.
De rechtbank oordeelde dat de functiewijziging van ingrijpende aard was en het beding daardoor aanmerkelijk zwaarder op de werknemer drukte. Omdat het beding niet opnieuw schriftelijk was overeengekomen, verloor het zijn gelding. Het belang van de werkgever bij handhaving woog niet op tegen het schriftelijkheidsvereiste. De vorderingen van de werkgever werden daarom afgewezen.
De rechtbank veroordeelde de werkgever in de proceskosten en wees de reconventionele vordering van de werknemer voorwaardelijk af. De uitspraak bevestigt het belang van schriftelijke bevestiging van concurrentiebedingen bij ingrijpende functiewijzigingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot handhaving van het concurrentiebeding af wegens het ontbreken van een schriftelijke herbevestiging na functiewijziging.