ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7495
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering op grond van niet-bestaande vennootschap onder firma
Eisers vorderen dat gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag dat zij aan een derde partij, [X], moeten voldoen. Zij baseren hun vordering op de stelling dat zij samen met gedaagde een vennootschap onder firma (vof) hebben gevormd, waarbij gedaagde als vennoot hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de schulden van de vennootschap.
Gedaagde ontkent vennoot te zijn geweest en stelt slechts een samenwerkingsovereenkomst te hebben gesloten zonder dat een vennootschap onder firma tot stand is gekomen. Volgens hem is er geen authentieke of onderhandse akte die het bestaan van de vof bevestigt, zoals vereist door artikel 22 Wetboek Pro van Koophandel.
De rechtbank overweegt dat het ontkende bestaan van de vennootschap onder firma binnen de interne verhoudingen alleen kan worden bewezen door een authentieke of onderhandse akte. Eisers hebben echter geen dergelijk geschrift overgelegd. Documenten die gedaagde namens de vennootschap onder firma heeft ondertekend, zijn gericht op externe relaties en bewijzen niet het interne bestaan van de vof.
Daarom wordt het bestaan van de vennootschap onder firma verworpen en kan gedaagde niet aansprakelijk worden gehouden voor de schuld aan [X]. De vordering wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van het bestaan van de vennootschap onder firma.