ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7878
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H.C. Blommers
- D. Hund
- C.A.F.M. Stassen
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over fiscale aftrekbaarheid lijfrentes bij inbreng onderneming in maatschap
Belanghebbende bracht zijn agrarische onderneming in een maatschap met een BV in oprichting, waarbij hij stakingswinst realiseerde en lijfrentes bedong bij de BV. De inspecteur weigerde de aftrek van de premies voor deze lijfrentes deels, stellende dat de onderneming al vaststond te worden geliquideerd bij inbreng en dat het aftrekbare maximum was overschreden.
De rechtbank stelde vast dat het enkele voornemen tot bedrijfsbeëindiging en voorbereidingshandelingen niet gelijk staan aan daadwerkelijke bedrijfsbeëindiging. De subsidievoorwaarden waren ultimo 2002 nog niet vervuld en de maatschapsovereenkomst was niet in strijd met subsidieregelingen. De inbreng werd gezien als een gedeeltelijke staking waarbij de onderneming in een andere rechtsvorm werd voortgezet.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende recht had op aftrek van een direct ingaande lijfrente en een uitgestelde lijfrente binnen de maxima van de Wet IB 2001. De aanslag werd verminderd van een belastbaar inkomen van €166.466 naar €73.128. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd vergoed.
De uitspraak benadrukt het onderscheid tussen voorbereidingshandelingen en daadwerkelijke bedrijfsbeëindiging voor fiscale aftrek van lijfrentes bij staking van een onderneming.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van €73.128 met toekenning van proceskosten aan belanghebbende.