ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0462
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling revisierente en heffingsrente bij afkoop lijfrentepolis na faillissement
Belanghebbende, aandeelhouder van meerdere vennootschappen, was betrokken bij faillissementen en sloot een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst over belastingschulden van meerdere jaren. De curator kocht namens belanghebbende een lijfrentepolis af, waarna de inspecteur revisierente en heffingsrente oplegde. Belanghebbende voerde aan dat de afkoop niet tot revisierente mocht leiden omdat de curator handelde en dat premies niet in aftrek waren gebracht.
De rechtbank oordeelde dat de curator namens belanghebbende handelt en dat de wet geen eisen stelt aan wie opdracht geeft tot afkoop. De rechtbank stelde vast dat het regime van de Wet IB 2001 ook geldt voor deze afkoop en dat bij een lumpsum-compromis normaal gesproken rekening wordt gehouden met betaalde lijfrentepremies, die dan als in aftrek gebracht gelden. Omdat in de vaststellingsovereenkomst geen melding van premies werd gemaakt, ging de rechtbank ervan uit dat de afkoopsom de waarde in het economische verkeer vertegenwoordigt.
De rechtbank verwierp de stelling dat revisierente onredelijk is en oordeelde dat de heffingsrente terecht is berekend, mede omdat belanghebbende zelf heeft bijgedragen aan vertraging. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vaststelling van revisierente en heffingsrente.