ECLI:NL:RBBRE:2007:BB1245

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
23 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/1231
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12a Wet loonbelasting 1964Afdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bepaling gebruikelijk loon directeur-grootaandeelhouder op basis van managementfee

In deze bestuursrechtelijke zaak stond de hoogte van het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) centraal voor het jaar 2001. Belanghebbende, DGA van een vennootschap ([BV1]), voerde aan dat het in de aangifte opgenomen loon van €40.840 te laag was en dat het gebruikelijk loon volgens de wettelijke norm €38.118 zou moeten zijn. Hij stelde dat het loon van de hoogste werknemer binnen het concern lager was en dat een hoger loon voor een verlieslijdende vennootschap niet waarschijnlijk was.

De inspecteur stelde dat het gebruikelijk loon moest worden vastgesteld op basis van de managementfee van €245.041 die [BV1] van [BV2] ontving, aangezien deze fee volledig betrekking had op de werkzaamheden van belanghebbende voor [BV2]. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad uit 2004, waarin werd bepaald dat het gebruikelijk loon kan worden berekend op basis van de opbrengsten van de vennootschap verminderd met kosten.

De rechtbank verwierp het verweer van belanghebbende dat het loon van een werknemer van een ander concern als vergelijkingsmaatstaf kon dienen. Ook werd het argument dat de vennootschap verlieslijdend zou zijn en daarom geen hoger loon rechtvaardigt, niet gevolgd omdat niet was gebleken dat de vennootschap structureel verlies maakte.

Op grond van deze overwegingen stelde de rechtbank het belastbaar loon vast op €150.000 conform de berekening van de inspecteur en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en het gebruikelijk loon vastgesteld op €150.000.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/1231
Uitspraakdatum: 17 juli 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 1 februari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2001 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.
De zaken, bij de rechtbank geregisteerd onder de nummers 05/4687, 05/4591, 06/1231, 06/2518 en 06/2517, zijn gelijktijdig behandeld.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar directeur groot aandeelhouder van [BV1]]. [BV1] bezit 48% van de aandelen in [BV2]. Belanghebbende beschikt derhalve over een aanmerkelijk belang in zowel [BV1] als in [BV2].
2.2. Belanghebbende verrichtte in het jaar 2001 via [BV1] assurantiewerkzaamheden voor [BV2].
2.3. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende, blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen, een loon van [BV1]. ontvangen van € 40.840. Op dit bedrag is geen loonbelasting / premie volksverzekeringen ingehouden.
2.4. Volgens de kolommenbalans van [BV2]. heeft zij in het jaar 2001 een managementfee betaald aan [BV1] van € 245.041. Deze managementfee ziet volledig op de assurantiewerkzaamheden die belanghebbende verricht voor [BV2].
2.5. In geschil is het antwoord op de vraag of het in de aangifte opgenomen loon ad € 40.840 te laag is in de zin van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB ’64). De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
2.6. Belanghebbende stelt dat voor de bepaling van het gebruikelijk loon moet worden aangesloten bij de wettelijke norm van artikel 12a van de Wet LB ’64, zijnde € 38.118 voor het jaar 2001. Als onderbouwing van deze stelling voert hij aan dat het hoogste loon van een werknemer binnen het concern, [de heer], lager is, namelijk ƒ 68.582 (€ 31.121), zodat er geen reden is een hoger gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Voorts voert belanghebbende aan dat een gebruikelijk loon van meer dan € 38.118 voor een venootschap die verlies maakt niet waarschijnlijk is. Tot slot stelt belanghebbende dat door de belastingdienst niet aannemelijk is gemaakt dat een hoger gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen.
2.7. In zijn arrest van 17 september 2004, nr. 38 378, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/50, oordeelde de Hoge Raad als volgt:
“(…) 3.4. Bij toepassing van artikel 12a van de Wet zal het loon dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, gebruikelijk is (hierna: het gebruikelijke loon), bepaald kunnen worden aan de hand van het salaris dat toegekend is aan concrete andere werknemers met soortgelijke dienstbetrekkingen. In een geval als het onderhavige, waarin de opbrengsten van de BV (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de directeur - in zijn hoedanigheid van werknemer van de BV - verrichte arbeid, is het echter ook mogelijk het gebruikelijke loon te berekenen op basis van de opbrengsten van de BV, verminderd met de aan die opbrengsten toe te rekenen kosten (exclusief het loon van die werknemer), lasten en afschrijvingen. (…)”
2.8. Ter zitting heeft belanghebbende verklaart dat [de heer] in dienst is van een ander concern, te weten: [BV3] Aangezien [de heer] geen werknemer is van [BV1] of [BV2]. kan zijn salaris naar het oordeel van de rechtbank niet worden gebruikt ter bepaling van de hoogte van belanghebbendes loon in het kader van de gebruikelijk loon regeling.
2.9. Vast staat dat de door [BV1]. ontvangen managementfee van [BV2]. ad € 245.041 volledig betrekking heeft op de werkzaamheden die belanghebbende verricht voor [BV2]. Op grond van voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft de inspecteur ter bepaling van de hoogte van gebruikelijke loon derhalve terecht de opbrengsten van [BV1]., zijnde de managementfee ontvangen van [BV2]., als uitgangspunt genomen. De door de inspecteur aan die opbrengst toe te rekenen kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk en zijn als zodanig door belanghebbende ook niet bestreden. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het belastbaar loon van belang¬hebbende, conform de berekening van de inspecteur, moet worden vastgesteld op € 150.000. Belanghebbendes opmerking dat een hoger gebruikelijk loon niet waarschijnlijk is voor een verlieslijdende vennootschap wordt, wat hiervan verder ook zij, door de rechtbank verworpen, nu niet gebleken is dat [BV1]. structureel verliezen maakt.
2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
3. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2007 door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr A.A. den Hartog
en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.