3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:
Op 4 juni 1996 is [eiseres], geboren op 22 juli 1986, op de gemarkeerde, niet met verkeerslichten beveiligde fietsersoversteekplaats ter hoogte van de kruising van de Wittendijk en de Hoogeindseweg te Goirle, in aanrijding gekomen met een vrachtauto (door partijen ook wel aangeduid als een betonmolen), bestuurd door [gedaagde]. Zij stond met een vriendinnetje op de fiets aan het begin van de oversteekplaats te wachten, teneinde de Hoogeindseweg over te steken. Op het moment dat [gedaagde], die over de Hoogeindseweg reed, de oversteekplaats reeds dicht was genaderd, dan wel zich reeds halverwege die oversteekplaats bevond, is [eiseres] met haar fiets tegen de achterkant van de vrachtauto gereden, mogelijk omdat zij zich er op dat moment niet van bewust was dat de fiets die zij bereed en die van haar vriendinnetje was, anders dan haar eigen fiets, niet beschikte over een terugtraprem maar over een handrem.
Na het ongeval is [eiseres] buiten bewustzijn naar een ziekenhuis vervoerd, waar zij twee dagen comateus is geweest. Aansluitend aan de ziekenhuisopname is zij overgeplaatst naar een revalidatiecentrum in verband met onder meer cognitieve, motorische en gedragsproblemen. In een op 15 april 2007 in opdracht van de rechtbank Breda, sector Bestuursrecht, uitgebracht neuropsychiatrisch rapport van de zenuwarts [X] (productie 8), is over het letsel van [eiseres] onder meer vermeld (pagina 8):
“(…) Samengevat is betr. een psycho-organisch beschadigd meisje, dat ten gevolge van een ernstige contusio cerebri met coma als gevolg, opgelopen in 1996, een secundaire zwakbegaafdheid heeft opgelopen met een duidelijke inperking van de copingmechanismen, niet alleen cognitief, maar ook op sociaal en persoonlijk vlak. Hierbij moet in de eerste plaats gedacht worden aan het uitermate beperkte aanpassingsvermogen, de rigiditeit, het gebrek aan overzicht, de concentratiezwakte, de minimale belastbaarheid en de snel optredende functionele klachten, vooral in de vorm van hoofdpijn (…)”
[gedaagde] was ten tijde van het ongeval als chauffeur in dienst bij Vadestru, tevens de eigenaar van de vrachtauto. Vadestru had [gedaagde] in de periode waarin zich het ongeval heeft voorgedaan (met de vrachtwagen) uitgeleend aan Bemoti. [gedaagde] had op de dag van het ongeval een zestal vrachten met de betonmolen voor Bemoti gereden.
Bij brieven van 31 december 2003, 9 februari 2004 en 28 december 2004 (niet overgelegd) heeft [eiseres] bij monde van haar raadsman respectievelijk Bemoti, Vadestru en [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade en bij die gelegenheid tevens medegedeeld dat de verjaring werd gestuit.
Bij beschikking van 20 december 2004 heeft de rechtbank te Breda op verzoek van [eiseres] een voorlopig getuigenverhoor bevolen. De processen-verbaal van de op 20 december 2004 en 12 september 2005 gehouden verhoren zijn als productie 5 bij dagvaarding overgelegd.