ECLI:NL:RBBRE:2007:BB9840
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde overbedelingsvorderingen voor successierecht conform Successiewet
Op 19 maart 2003 overleed de erflater, die bij testament van 16 december 1977 zijn nalatenschap had verdeeld onder zijn echtgenote en kinderen met bepalingen over overbedeling.
De inspecteur legde aanslagen successierecht op aan de echtgenote en kinderen, waarbij de waarde van de verkrijgingen was vastgesteld. Belanghebbenden maakten bezwaar tegen deze aanslagen en voerden onder meer aan dat de waarde van de overbedelingsvorderingen anders moest worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat de waarde van de overbedelingsvorderingen moet worden bepaald volgens artikel 21 van Pro de Successiewet 1956 en de jurisprudentie, waaronder het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 1989. De testamentaire bepalingen over waardebepaling zijn niet bindend voor de fiscale waardering.
Verder constateert de rechtbank dat de inspecteur abusievelijk uitging van een verkeerde leeftijd van de moeder bij de berekening, waardoor de verkrijging per kind wordt vastgesteld op €27.435.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraken op bezwaar, vermindert de aanslagen en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht. Vordering tot schadevergoeding wegens niet tijdig uitspraak op bezwaar wordt afgewezen.
Uitkomst: De aanslagen successierecht worden verminderd tot een verkrijging van €27.435 per kind en de uitspraken op bezwaar worden vernietigd.