ECLI:NL:RBBRE:2007:BG6472
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking heffingsrente en gedeeltelijke gegrondverklaring beroep inkomstenbelasting 2002
Belanghebbende was over het jaar 2002 geen inkomstenbelasting verschuldigd, terwijl haar echtgenoot een geringe aanslag had. De inspecteur legde een definitieve aanslag op waarbij een teveel uitgekeerde heffingskorting werd teruggevorderd. De rechtbank oordeelt dat geen rechtens te beschermen vertrouwen kan worden ontleend aan de voorlopige teruggaaf, omdat de inspecteur destijds nog niet over alle feiten beschikte.
Belanghebbendes klacht over de termijn van bijna vier jaar tussen voorlopige teruggaaf en definitieve aanslag faalt, aangezien de aanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd. De rechtbank stelt dat de belastingdienst niet verplicht is om specifieke groepen, zoals in het buitenland werkende inwoners, apart te administreren of te informeren.
De rechtbank oordeelt dat het formulier voor het teruggaafverzoek onduidelijkheid schept over de toetsingsgrondslag van de heffingskorting, wat leidt tot misleiding van belanghebbende. Hierdoor is het onredelijk om heffingsrente in rekening te brengen over de ten onrechte verleende voorlopige teruggaaf. Daarom wordt de beschikking heffingsrente vernietigd en het beroep daarop gegrond verklaard.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten van belanghebbende en wijst de Staat aan als de vergoedingsplichtige. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de heffingsrente en de beschikking heffingsrente wordt vernietigd; voor het overige wordt het beroep ongegrond verklaard.