ECLI:NL:RBBRE:2007:BG6491
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering vergrijpboete wegens onjuiste aangifte inkomstenbelasting handel in verdovende middelen
Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor handel in verdovende middelen over de periode 1 april tot 14 september 2000. Naar aanleiding hiervan legde de inspecteur een navorderingsaanslag en een vergrijpboete op wegens het niet aangeven van inkomsten uit deze handel.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, waardoor de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. De inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt van de verzwegen inkomsten op basis van verklaringen van belanghebbende in de strafzaak.
Ten aanzien van de vergrijpboete stelt de rechtbank vast dat belanghebbende deze inkomsten willens en wetens heeft verzwegen, maar dat de boete moet worden verminderd omdat ten tijde van de aangifte de kosten en lasten verbonden aan de drugshandel nog in aftrek konden worden gebracht. De boete wordt daarom verminderd van f 35.448 tot f 5.934 (€ 2.692).
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tevens in de proceskosten van € 322 en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard.
Uitkomst: De vergrijpboete wordt verminderd tot f 5.934 (€ 2.692) en de navorderingsaanslag wordt gehandhaafd.