ECLI:NL:RBBRE:2007:BG6989
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing kwijtscheldingsvrijstelling bij ontbinding vennootschap onder firma
Belanghebbende en zijn broer drijven samen twee vennootschappen onder firma (vof's) waarin zij ieder 50% van het vermogen en de winst bezitten. De onderneming van een van de vof's is per 1 januari 2002 voortgezet door een voormalig medewerker als eenmanszaak, waarbij het banksaldo, de voorraad en goodwill zijn overgenomen. De oorspronkelijke vennoten blijven aansprakelijk voor schulden die niet uit de middelen van de ontbonden vennootschap kunnen worden voldaan.
Belanghebbende en zijn broer hebben ieder in hun aangifte inkomstenbelasting voor 2001 aanspraak gemaakt op de vrijstelling voor kwijtscheldingswinst. De aanslag van de broer is conform de aangifte opgelegd, maar bij belanghebbende is de vrijstelling geweigerd. Belanghebbende stelt dat hem dezelfde behandeling toekomt als zijn broer en beroept zich op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat de kwijtscheldingsvrijstelling op grond van de wet niet van toepassing is omdat de schuld niet niet-verwezenlijkbaar is. Echter, omdat de inspecteur bij de broer een bewust standpunt heeft ingenomen en belanghebbende en zijn broer tot dezelfde entiteit behoren, mocht belanghebbende erop vertrouwen dat de vrijstelling ook voor hem zou gelden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 25.941. Tevens worden de proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting van belanghebbende wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van € 25.941 met toepassing van het vertrouwensbeginsel.