ECLI:NL:RBBRE:2007:BI4138
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 met discussie over heffingsrente en gemeenschapsrecht
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004. De kern van het geschil betrof de verrekening van heffingsrente bij de definitieve aanslag, de beperking van de inkomstenbelasting over de AOW-uitkering tot de ingehouden loonheffing, en de vraag of de heffing in box 3 over een tweede woning in strijd is met het gemeenschapsrecht.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsrente terecht niet werd verrekend bij de definitieve aanslag omdat bij die aanslag geen belasting werd geheven, terwijl bij de voorlopige aanslag wel belasting werd geheven waarover heffingsrente verschuldigd was. Verder werd geoordeeld dat de loonheffing op de AOW-uitkering geen eindheffing is, zodat de inkomstenbelasting niet beperkt kan worden tot de ingehouden loonheffing.
Ten aanzien van de gemeenschapsrechtelijke vraag stelde de rechtbank vast dat er geen ongeoorloofd verschil in behandeling bestaat tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen voor de box 3-heffing over een tweede woning. Ook het ontbreken van toepassing van heffingsvrij vermogen en heffingskorting voor buitenlandse belastingplichtigen werd niet als strijdig met het gemeenschapsrecht beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter C.A.F.M. Stassen op 4 oktober 2007.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2004 wordt ongegrond verklaard.