ECLI:NL:RBBRE:2007:BJ4796

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
28 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/2929
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 MeststoffenwetArt. 2 Besluit voorraden MeststoffenwetArt. 7 Besluit voorraden MeststoffenwetArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingenAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag fosfaatheffing wegens niet tijdige voorraadmelding

Belanghebbende diende voor het jaar 2002 een aangifte in met een nihil bedrag aan fosfaat- en stikstofheffing. Na controle legde de inspecteur een naheffingsaanslag fosfaatheffing van €11.754 op, verminderd tot €11.376 na bezwaar, met een verzuimboete die werd geschorst.

De kern van het geschil betrof de vraag of de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, waarbij belanghebbende stelde dat dit niet het geval was. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende de voorraad mineralen niet tijdig had aangemeld, terwijl de wet en het Besluit voorraden Meststoffenwet dit vereisen om de voorraad mee te rekenen bij de berekening van de belastbare hoeveelheid.

De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht had gebaseerd op de aangevoerde en afgevoerde hoeveelheden fosfaat, zonder rekening te houden met niet-aangemelde voorraden. De rechtbank benadrukte dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor tijdige aanmelding en dat de inspecteur jaarlijks een toelichting verstrekt over de aangifteprocedure.

De rechtbank verwierp het beroep en legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag fosfaatheffing 2002 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/2929
Uitspraakdatum: 28 juni 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[eiser], wonende te [adres], eiser,
en
de inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.
Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 17 mei 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde naheffingsaanslag fosfaatheffing.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007 te Breda.
Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigde].
Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen.
Belanghebbendes gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 april 2007 aan het adres [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 26 april 2007 aan de gemachtigde is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
1.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2.Gronden
2.1. Belanghebbende heeft op 3 november 2003 het aangifteformulier “Verfijnde aangifte 2002” ingediend naar een verschuldigd bedrag aan fosfaatheffing van nihil en een verschuldigd bedrag aan stikstofheffing van eveneens nihil. Na controle heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd van € 11.754, alsmede bij beschikking een verzuimboete. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 11.376 en de verzuimboete verminderd tot nihil.
2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.
2.3. Ingevolge artikel 24 van Pro de Meststoffenwet (hierna: de Wet), wordt de belastbare hoeveelheid bepaald door de hoeveelheid in een kalenderjaar aangevoerde mineralen verminderd met de hoeveelheid in een kalenderjaar afgevoerde mineralen. Op grond van artikel 2 van Pro het Besluit voorraden Meststoffenwet (hierna: het Besluit) kan de belastbare hoeveelheid mineralen, bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet, worden vermeerderd met de beginvoorraad en verminderd met de eindvoorraad. Artikel 7 van Pro het Besluit bepaalt dat artikel 2 uitsluitend Pro van toepassing is op voorraden in een tijdig door de heffingsplichtige aangemelde opslag(en).
2.4. Niet in geschil is dat belanghebbende de door hem gehouden voorraad niet tijdig heeft aangemeld, zodat niet is voldaan aan de in het Besluit neergelegde eisen voor wat betreft de aanmelding van de voorraad. Nu de wet niet voorziet in het op andere wijze aannemelijk maken van eventueel aanwezige voorraden en evenmin in het bij de bepaling van de belastbare hoeveelheid op andere wijze rekening houden met dergelijke voorraden, is de rechtbank van oordeel dat bij het vaststellen van de naheffingsaanslag terecht geen rekening is gehouden met de door belanghebbende gehouden voorraad. De rechtbank benadrukt dat belanghebbende zelf verantwoordelijk blijft voor het tijdig aanmelden van de voorraad. In dit kader zij nog vermeld dat de verweerder ter zitting heeft verklaard en de rechtbank hecht hieraan geloof, dat ieder jaar aan bedrijven die een Minas-aangifte indienen - zo ook aan belanghebbende voor het jaar 2002 - een toelichting ten behoeve van het invullen van die aangifte wordt gestuurd waarin vermeld staat dat bij het bepalen van de hoeveelheid alleen de aangemelde voorraad wordt meegenomen en waarin tevens staat vermeld op welke wijze de aanmelding van de voorraad plaats kan vinden.
2.5. Vast staat dat in 2002 op het bedrijf van belanghebbende 6.797 kg fosfaat is aangevoerd en dat 5.533 kg fosfaat is afgevoerd. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag op deze hoeveelheden gebaseerd. De berekening van de inspecteur is niet in geschil. Gelet hierop en het overwogene onder 2.3. en 2.4 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.
2.6. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan hem niet baten, nu ingevolge artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28) de rechtbank in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.
2.7. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
3.Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 28 juni 2007 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.