ECLI:NL:RBBRE:2008:BC6042
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H.C. Blommers
- D. Hund
- W. Brouwer
- Rechtspraak.nl
Startmoment terbeschikkingstelling pand en waardering overige onroerende zaken in belastingzaak
Belanghebbende, indirect aandeelhouder van een optiekbedrijf, kocht in 2002 een pand dat speciaal werd verbouwd voor verhuur aan zijn vennootschap onder firma. De inspecteur stelde dat de terbeschikkingstelling pas begon bij de feitelijke verhuur in juni 2003, terwijl belanghebbende stelde dat dit al bij aankoop in 2002 was.
De rechtbank overwoog dat de wet geen expliciete bepaling geeft over het aanvangsmoment van terbeschikkingstelling, maar dat doel en strekking van de regeling een economische benadering vereisen. Aangezien het pand uitsluitend voor verhuur was gekocht en de huurder vanaf aankoop betrokken was bij verbouwing en inrichting, vond de rechtbank dat de terbeschikkingstelling bij aankoop begon.
Verder oordeelde de rechtbank dat overige onroerende zaken op de terbeschikkingstellingsbalans moeten worden opgenomen tegen aanschafprijs inclusief kosten, niet tegen de waarde in het economische verkeer, om fiscale gelijkheid tussen ondernemers te waarborgen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, stelde het belastbaar inkomen vast op €113.917 en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de terbeschikkingstelling van het pand aanvangt bij aankoop en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van €113.917.