ECLI:NL:RBBRE:2008:BC8426
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onrechtmatige overheidsdaad na doorzoeking woning en strafrechtelijk sepot
De zaak betreft een vordering van een huurder tegen de Staat wegens een vermeende onrechtmatige overheidsdaad na een doorzoeking van haar huurwoning in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. De woning werd doorzocht op verdenking van voorbereiding van moord, waarbij onder meer een kogelwerend vest, mobiele telefoon en geld werden in beslag genomen. De huurder werd aangehouden maar later geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.
De huurder vorderde vergoeding van herstelkosten van de woning en buitengerechtelijke kosten, stellende dat de doorzoeking onzorgvuldig was en schade had veroorzaakt. De Staat stelde dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond op het moment van doorzoeking en dat de doorzoeking zorgvuldig was uitgevoerd zonder disproportionele schade.
De rechtbank oordeelde dat het sepot en het ontbreken van strafrechtelijke vervolging onvoldoende zijn om te concluderen dat het optreden van de overheid vanaf het begin onrechtmatig was. Er was geen bewijs van onschuld van de huurder en het feitencomplex viel binnen de toepasselijke strafbepalingen. De gestelde schade werd onvoldoende onderbouwd en de doorzoeking werd niet als disproportioneel beoordeeld. De vordering werd daarom afgewezen en de huurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige overheidsdaad na doorzoeking wordt afgewezen.