ECLI:NL:RBBRE:2008:BC9271
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Berekening heffingsrente bij verkoop aanmerkelijk belang volgens wettelijke termijn
Belanghebbende heeft in november 2006 zijn aandelen in een besloten vennootschap, een aanmerkelijk belang, verkocht en gaf dit aan in de aangifte inkomstenbelasting 2006. De inspecteur legde een voorlopige aanslag op met heffingsrente berekend vanaf 1 juli 2006, het midden van het jaar. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de rente pas vanaf het moment van verkoop in november 2006 berekend moest worden, omdat hij geen rente kon ontvangen over de opbrengst.
De rechtbank oordeelde dat de wet, specifiek artikel 30f, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, duidelijk voorschrijft dat de heffingsrente wordt berekend vanaf het midden van het jaar. De rechtbank erkende dat dit in sommige gevallen onredelijk kan uitpakken, maar dat de wetgever dit bewust zo heeft geregeld vanwege praktische uitvoerbaarheid.
De rechtbank wees het beroep af en bevestigde dat zij niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter Stassen op 6 maart 2008.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat heffingsrente vanaf het midden van het jaar moet worden berekend.