ECLI:NL:RBBRE:2008:BD1459

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
10 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/3306
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet vermindering afdracht loonbelasting/premies volksverzekeringenArt. 9 Uitvoeringsregeling WVAArt. 33 Wet vermindering afdracht loonbelasting/premies volksverzekeringenAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing afdrachtvermindering langdurig werklozen zonder verklaring niet toegestaan

Belanghebbende, een maatschap met een gehandicapte werknemer, heeft voor de jaren 2001 tot en met 2004 de afdrachtvermindering langdurig werklozen toegepast zonder te beschikken over de vereiste verklaring langdurig werkloze zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet vermindering afdracht loonbelasting/premies volksverzekeringen (WVA).

Belanghebbende stelde dat het afgeven van een dergelijke verklaring zinloos is voor gehandicapte werknemers en dat deze niet als voorwaarde mag worden gesteld. De rechtbank oordeelt echter dat uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de verklaring niet alleen dient om vast te leggen of een werknemer langdurig werkloos is, maar ook om te toetsen of de werkgever geen gewone werknemers heeft ontslagen om van de vermindering te profiteren.

Daarom is het belang van de verklaring ook bij arbeidsgehandicapte werknemers aanwezig. Nu belanghebbende niet beschikte over de verklaring, was het toepassen van de afdrachtvermindering onterecht en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de opgelegde boete moet worden vernietigd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond voor zover het de naheffing betreft en gegrond voor zover het de boete betreft. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De naheffingsaanslag wordt bevestigd, de boete vernietigd en proceskosten worden toegewezen aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/3306
Uitspraakdatum: 10 april 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats],
eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 21 juni 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen van € 4.921 alsmede de bij beschikking vastgestelde vergrijpboete van € 1.230.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2008 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking;
- vernietigt de boetebeschikking;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;
- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende, een maatschap die een varkenshouderij exploiteert, heeft in de jaren 2001 tot en met 2004 een werknemer, [werknemer], in dienst gehad die recht had op een gedeeltelijke Wajong-uitkering. Belanghebbende heeft in al die jaren bij haar aangiften loonbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor deze werknemer de afdrachtvermindering langdurig werklozen toegepast. Belanghebbende beschikt niet over een verklaring langdurig werkloze als bedoeld in artikel 8 Wet Pro vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA, tekst tot en met 2003) welk artikel blijkens artikel 33 van Pro de WVA (tekst vanaf 2004) in dit geval nog van toepassing was vanaf 1 januari 2004.
2.2. [werknemer] is niet langdurig werkloos geweest. Grond voor toepassing van de afdrachtvermindering langdurig werklozen is artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling WVA, waarin het volgende is bepaald:
“1. Met een langdurig werkloze voor wie een verklaring langdurig werkloze kan worden afgegeven, wordt gelijkgesteld de werknemer of aanstaande werknemer:
(…)
b. die arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.”
2.3. Belanghebbende stelt dat het afgeven van een Verklaring langdurig werkloze voor een gehandicapte werknemer als [werknemer] zinloos is zodat de eis van een dergelijke verklaring in dit geval niet mag worden gesteld.
2.4. In de Memorie van Toelichting bij van het wetsvoorstel WVA is over het belang van de Verklaring langdurig werkloze onder meer het volgende gesteld:
“Aangezien de vermindering langdurig werklozen het risico in zich draagt dat verdringingseffecten zullen gaan optreden, is er (…) een aantal waarborgen ingebouwd om een dergelijke verdringing te voorkomen. Een werkgever komt voor een bepaalde werknemer slechts in aanmerking voor deze vermindering indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan hem een in het wetsvoorstel omschreven verklaring afgeeft dat de werknemer een langdurig werkloze is in de zin van de onderhavige regeling; de Arbeidsvoorzieningsorganisatie toetst hierbij of de werkgever in het recente verleden werknemers om bedrijfseconomische redenen heeft ontslagen. De bestaande toets bij aanvraag van de Wba-verklaring wordt beperkt tot die gevallen dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie recent een ontslagvergunning heeft verleend. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan in geval van een situatie waarin om bedrijfseconomische redenen een ontslagvergunning is verleend, niettemin een verklaring langdurig werkloze afgeven indien naar haar oordeel door het afgeven van die verklaring geen verdringing zal optreden van arbeidsovereenkomsten waarop de vermindering langdurig werklozen niet van toepassing is.”(Memorie van Toelichting, TK 1995-1996, nr. 24 458, nr.3).
2.5. Uit de geciteerde passage blijkt dat het belang van de Verklaring langdurig werkelozen dus niet alleen, zoals belanghebbende stelt, zit in de vastlegging of de betreffende werknemer langdurig werkloos is. Bij afgifte van de Verklaring wordt ook getoetst of de werkgever geen “gewone” werknemers heeft ontslagen om te kunnen profiteren van de afdrachtvermindering. Die toets zal net zo goed moeten gebeuren bij een arbeidsongeschikte werknemer waarvoor dezelfde afdrachtvermindering wordt geclaimd.
2.6. Nu belanghebbende niet beschikte over een Verklaring langdurig werklozen voor [werknemer], heeft zij ten onrechte de afdrachtvermindering langdurig werklozen toegepast. De naheffing is terecht.
2.7. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de boete moet worden vernietigd.
2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond voor zover het de naheffing loonbelasting/premie volksverzekeringen betreft, en gegrond voor zover het de boete betreft.
2.9. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De kosten van de bezwaarfase worden niet vergoed nu daar blijkbaar niet om is gevraagd in de bezwaarfase.
Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr.drs. M.H. van Schaik, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.