ECLI:NL:RBBRE:2008:BD6019

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
4 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/894
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting en de werking van de parkeerautomaat

In deze zaak gaat het om een naheffingsaanslag parkeerbelasting die is opgelegd aan een belanghebbende die zijn auto had geparkeerd bij het station. De belanghebbende parkeerde zijn auto omstreeks 6.30 uur, terwijl de parkeerautomaat pas om 7.00 uur in werking trad. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag van € 0,60 in stand blijft, omdat de belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd op een plek waar parkeerbelasting verschuldigd is. Echter, de kosten van € 45 die in rekening zijn gebracht bij de naheffingsaanslag kunnen niet in stand blijven. De rechtbank stelt dat de gemeente ervoor moet zorgen dat belastingplichtigen in staat zijn om aan hun verplichtingen te voldoen. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar van de gemeente en gelast dat het door de belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 wordt vergoed. De uitspraak is gedaan op 4 juni 2008, na een zitting op 28 februari en 21 mei 2008, waarbij de belanghebbende niet is verschenen. De rechtbank concludeert dat de gemeente de parkeerautomaat niet op tijd in werking heeft gesteld, waardoor de belanghebbende niet in staat was om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. De rechtbank benadrukt dat de gemeente de verplichting heeft om de parkeermogelijkheden af te stemmen op de behoeften van de gebruikers, in dit geval treinreizigers.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/894
Uitspraakdatum: 4 juni 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats], verweerder.
Eiser wordt hierna aangeduid als belanghebbende.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 31 januari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari en op 21 mei 2008, tezamen met de zaak bekend onder nr. 07/893. Aldaar is op beide data verschenen en gehoord, namens verweerder, [mevrouw], werkzaam bij [BV]
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brieven, verzonden op 23 januari en op 15 april 2008 aan belanghebbende op het adres [straat] te [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, op beide zittingsdata niet verschenen. Nu genoemde brieven niet ter griffie zijn terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brieven op 26 januari en op 19 april 2008 door belanghebbende op het afhaalkantoor te [woonplaats] zijn afgehaald, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodigingen om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig zijn aangeboden.
Bij de stukken bevindt zich de Parkeerverordening van de gemeente [woonplaats] voor het jaar 2005. Aangezien de onderhavige zaak betrekking heeft op het jaar 2006 heeft de rechtbank de zaak, na de eerste zitting, heropend en alsnog de Parkeerverordening van de gemeente [woonplaats] 2006 opgevraagd. Deze is op 5 maart 2008 ontvangen en is in afschrift verstrekt aan belanghebbende.
1. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 0,60;
- gelast dat de gemeente [woonplaats] het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende heeft verklaard zijn personenauto, [merk], met het kenteken [00000], op 30 november 2006 omstreeks 06.30 uur op het [plein] te [woonplaats] te hebben geparkeerd. Niet in geschil is dat deze locatie door burgemeester en wethouders op grond van de Verordening parkeerbelastingen 2006 van de gemeente [woonplaats] (hierna: de Verordening) is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Evenmin is in geschil dat bij de parkeerautomaat op [plein] eerst vanaf 07.00 uur een kaartje kan worden gekocht en dat het betaald parkeren ingaat om 09.00 uur. Verder staat vast dat treinen vanaf het station [woonplaats] plegen te vertrekken vanaf omstreeks 06.15 uur.
2.2. Belanghebbende heeft zich enkele dagen voor het onderhavige parkeren georiënteerd op de parkeermogelijkheden ter plaatse. In dat verband heeft hij vastgesteld dat op het tijdstip dat hij diende te parkeren teneinde de trein naar zijn werk te halen -omstreeks 06.30 uur- de parkeerautomaat ter plaatse nog niet in werking was. Daarop heeft zijn echtgenote zich tot de gemeente gewend. Bij die gelegenheid zou een gemeenteambtenaar hebben toegezegd de zaak te zullen uitzoeken en tevens dat er, hangende het onderzoek, geen naheffingsaanslagen zouden worden opgelegd. Niettemin is aan belanghebbende, op 30 november 2006, omstreeks 14.37 uur, een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 0,60, vermeerderd met € 45 aan kosten.
2.3. Belanghebbende is primair van oordeel dat geen naheffingsaanslag had mogen worden opgelegd, nu verweerder een toezegging ter zake heeft gedaan. Subsidiair is hij van oordeel dat de gemeente, door de parkeerautomaat niet eerder dan 07.00 uur in werking te stellen, hem de mogelijkheid heeft onthouden om de ter plaatse verschuldigde parkeerheffing te voldoen.
2.4. Belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat tijdens het in 2.2 genoemde gesprek van 30 november 2006 het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat ter zake van het onderhavige parkeren geen parkeerbelasting zou zijn verschuldigd.
2.5. Artikel 4, eerste lid, van de Verordening, bepaalt dat parkeerbelasting is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. Artikel 6, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de parkeerbelasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en stelt vervolgens: “Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften”.
2.6. De rechtbank is van oordeel dat, indien de gemeente de gelegenheid biedt om op een daartoe aangewezen plaats, tegen betaling, te parkeren, dat de verplichting schept om de aspirant-parkeerder in staat te stellen aan zijn verplichtingen te voldoen, via het in werking stellen van de parkeerapparatuur, zoals de Verordening eist. In de onderhavige situatie betreft het een bij het station gelegen parkeerterrein, waarvan mag worden aangenomen dat daarvan vooral door treinreizigers gebruik zal worden gemaakt. Gezien het tijdstip waarop de eerste treinen vanaf [woonplaats] gaan rijden mag worden verwacht dat de aanvang van de werkingstijd van de parkeerapparatuur ter plaatse daarop zou zijn afgestemd.
2.7. Verweerder heeft er evenwel voor gekozen om de parkeerapparatuur eerst om 07.00 uur in werking te doen stellen, zonder dat zij daarvoor de redenen aangeeft. Van belanghebbende mag niet worden gevergd dat hij zijn aankomst uitstelt tot het tijdstip waarop de aanwezige parkeerapparatuur hem in staat stelt om betalingen terzake van het parkeren te accepteren. Daarmee heeft verweerder belanghebbende de mogelijkheid onthouden om aan zijn verplichtingen te voldoen. Dat wordt niet anders door, zoals verweerder aanvoert, de aanwezigheid van een parkeerterrein in de nabijheid waar zonder betaling kan worden geparkeerd. Ook de opvatting van verweerder dat, door om 07.00 uur, dat wil zeggen ruim voordat om 09.00 uur de verplichting tot betaald parkeren ingaat, reeds de mogelijkheid om parkeerheffing te voldoen te openen, aspirant-parkeerders reeds voldoende tegemoet worden gekomen, verandert deze gevolgtrekking niet, zulks temeer nu verweerder ter zitting heeft toegegeven ermee bekend te zijn dat andere gemeenten parkeerders zelfs in staat stellen verschuldigde parkeergelden reeds de avond tevoren te voldoen. De kosten welke in rekening zijn gebracht bij het opleggen van de naheffingsaanslag, van € 45, kunnen dan ook niet in stand blijven.
2.8. Nu niet tussen partijen in geschil is dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting is verschuldigd, dient de naheffingsaanslag tot het bedrag aan parkeerbelasting, van € 0,60, in stand te blijven.
2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.
2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat is gesteld noch gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2008 door mr. D. Hund, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.