ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0796
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.A. den Hartog
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- C.A.F.M. Stassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling willekeur en redelijkheid van vermakelijkhedenretributie 2006
Belanghebbende exploiteert een vermakelijkheid in de gemeente en ontving een voorlopige aanslag vermakelijkhedenretributie 2006 van € 226.890. Zij betwistte deze aanslag omdat bepaalde gemeentelijke kostenposten waren weggevallen, waardoor de aanslag volgens haar niet meer in verhouding zou staan tot de feitelijke kosten.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende een groot beslag legt op gemeentelijke voorzieningen waarvan zij profiteert, zoals verkeersvoorzieningen die essentieel zijn voor circa 2,4 miljoen bezoekers in 2006. De rechtbank oordeelt dat er geen wanverhouding bestaat tussen de hoogte van de retributie en het profijt dat belanghebbende van de voorzieningen heeft.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Hoge Raad waarin is bepaald dat de toets voor willekeur en onredelijkheid bestaat uit een vergelijking tussen de hoogte van de retributie en het profijt van de voorzieningen. Gezien het voorzieningenoverzicht en de omvang van het gebruik, leidt de verordening niet tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2008.
Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige aanslag vermakelijkhedenretributie 2006 wordt ongegrond verklaard.