ECLI:NL:RBBRE:2008:BG4232

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
12 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
180632 HA ZA 07-1631
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Leijten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 1 sub d Auteurswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering kunstenaar wegens vrees vernietiging BKR-kunstwerken

Eiser, een beeldend kunstenaar, vordert van de gemeente Breda vergoeding en herstel van drie BKR-kunstwerken die niet meer traceerbaar zijn. Hij baseert zijn vorderingen op artikel 25 lid 1 sub d van Pro de Auteurswet, stellende dat de onvindbaarheid een inbreuk vormt op zijn eer en goede naam.

De gemeente Breda betwist vernietiging en wijst op het grote aantal aangeschafte kunstwerken in de jaren '70 en '80, waarbij registratie destijds niet volledig was. De rechtbank overweegt dat eiser slechts vreest dat de kunstwerken vernietigd zijn, maar dit niet stelt of bewijst.

Zelfs aangenomen dat vernietiging heeft plaatsgevonden, levert dit geen aantasting van het auteursrecht op grond van de Auteurswet. De niet-sluitende documentatie wordt niet als onrechtmatig jegens eiser beschouwd. Bijzondere omstandigheden die dit anders maken, zijn niet gesteld.

Daarom verklaart de rechtbank eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en veroordeelt hem in de proceskosten van de gemeente Breda. Het vonnis is gewezen door mr. Leijten en uitgesproken op 12 november 2008.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK BREDA
Sector civiel recht
Team handelsrecht
zaaknummer / rolnummer: 180632 / HA ZA 07-1631
Vonnis van 12 november 2008
in de zaak van
[eiser],
wonende te Breda,
eiser,
advocaat mr. W.J.G. Schröder,
tegen
de openbare rechtspersoon
DE GEMEENTE BREDA,
zetelend te Breda,
gedaagde,
advocaat prof. mr. dr. B.P.M. van Ravels.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- het pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
2.1. [eiser] vordert om de Gemeente Breda bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen:
Primair:
1. tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade aldus, dat [eiser] zoveel mogelijk terug in de positie wordt gebracht als wanneer het schadeveroorzakende feit (de inbreuk op het beeldrecht) niet had plaatsgehad, te weten dat de Gemeente Breda [eiser] in de gelegenheid had gesteld om de beelden:
- Deelbeweging Pyramide 2, polyester-plastiek
- Zelfstandige Draaiing, polyester
- Twee via een, polyester
conform hun oorspronkelijke vormgeving, materiaal en afmetingen opnieuw te vervaardigen en/of te doen vervaardigen in opdracht van en/of op aanwijzingen van [eiser];
2. tot betaling van de kosten die met het opnieuw maken van de beelden zijn gemoeid (o.a. materialen, arbeidskosten, atelier, etc.) zulks op basis van een door [eiser] vooraf op te stellen begroting van die kosten;
3. tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de onder 2 genoemde kosten;
Subsidiair:
4. tot betaling van een bedrag aan (immateriële) schadevergoeding omtrent de hoogte waarvan [eiser] zich nader wenst uit te laten, in geval van afwijzing van zijn primaire vordering;
Primair en subsidiair:
5. tot veroordeling van de Gemeente Breda in de kosten van deze procedure, die voor salaris daaronder begrepen.
2.2. De Gemeente Breda voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. De feiten
3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
a. [eiser] is beeldend kunstenaar.
b. In het kader van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) heeft de Gemeente Breda in 1978 en 1979 van [eiser] een drietal kunstwerken aangekocht te weten:
- Deelbeweging Pyramide 2, polyester-plastiek
- Zelfstandige Draaiing, polyester
- Twee via Een, polyester
c. De BKR is in 1987 geëindigd.
d. Medio 2005 heeft de Gemeente Breda aan [eiser] diverse BKR-kunstwerken in eigendom terug gegeven.
e. [eiser] heeft bij brief van 3 november 2005 bij de Gemeente Breda geïnformeerd naar de status van een drietal kunstwerken, waaronder de Zelfstandige Draaiing en Twee via Een, alsmede een derde kunstwerk “Uit-inwendig gericht” en tevens de Gemeente Breda verzocht of de betreffende kunstwerken (terug) in eigendom aan hem kunnen worden overgedragen.
f. De gemeente Breda heeft [eiser] bij brief van 28 juni 2006 medegedeeld dat het werk “Uit-inwendig Gericht” in 2003 is overgedragen aan BK. Omtrent de status van de andere twee kunstwerken blijft de Gemeente Breda het antwoord schuldig, maar vermeldt “dat de registratie van kunstwerken in het verleden te wensen over liet” en “omdat iedere vorm van documentatie ontbreekt kunnen wij u helaas niet verder helpen”.
g. Nadien is [eiser] gebleken dat het werk “Deelbeweging Pyramide 2” niet valt te traceren.
h. [eiser] heeft de Gemeente Breda bij brief van 2 oktober 2006 aansprakelijk gesteld en uitgenodigd tot vergoeding van de schade over te gaan.
i. Bij brief van 10 oktober 2006 laat de Gemeente Breda aan [eiser] weten dat de aansprakelijkheidstelling is doorgeleid aan haar WA-verzekeraar.
j. Bij brief van 8 februari 2007 deelde de verzekeraar aan [eiser] mede dat de kwestie niet onder de dekking valt.
4. De beoordeling
4.1. [eiser] grondt zijn vorderingen op artikel 25 lid 1 sub d van Pro de Auteurswet.
Hij voert aan dat de omstandigheid dat zijn werken niet meer traceerbaar zijn op zichzelf al een inbreuk vormt op zijn eer en goede naam. De vrees dat de drie spoorloze kunstwerken vernietigd zijn wordt volgens [eiser] versterkt door het feit dat het werk “het Getijdenobject” zonder zijn medeweten vernietigd werd en het feit dat alle andere BKR-kunstwerken wel aan hem terug in eigendom zijn overgedragen.
4.2. De gemeente Breda betwist dat zij de drie kunstwerken heeft vernietigd. Volgens de Gemeente Breda kan haar niet worden verweten dat zij niet meer kan achterhalen waar de drie BKR-kunstwerken zich thans bevinden, omdat zij in het kader van de BKR in de jaren ‘70 en ‘80 circa 20.000 kunstwerken heeft aangekocht en het destijds, bij gebreke van automatiseringsmogelijkheden, te kostbaar en te complex was om een registratie bij te houden van alle kunstwerken die zij onder zich had.
4.3. De rechtbank overweegt als volgt:
De door [eiser] ingestelde vorderingen zijn alle gebaseerd op de feitelijke stelling dat [eiser] vreest dat zijn kunstwerken zijn vernietigd of in het ongerede zijn geraakt. [eiser] stelt dus niet dat ze zijn vernietigd of in het ongerede zijn geraakt. Op basis van enkel genoemde vrees kunnen de vorderingen niet worden toegewezen.
4.4. Indien [eiser] al bedoeld zou hebben stellig te stellen dat de kunstwerken zijn vernietigd of in het ongerede zijn geraakt en indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat dit zo was, dan nog levert de vernietiging van die kunstwerken geen aantasting op van het auteursrecht op basis van artikel 25 lid 1 sub d van Pro de de Auteurswet (zie het arrest Jelles/Zwolle, Hoge Raad 6 februari 2004, LJN: AN7830). In het geval dat de kunstwerken in het ongerede zijn geraakt heeft te gelden dat het niet sluitend documenteren van 20.000 BKR-kunstwerken vanaf de jaren ‘70 van de vorige eeuw in zijn algemeenheid niet is aan te merken als onzorgvuldig en onrechtmatig jegens [eiser].
Bijzondere omstandigheden die vernietiging of het in ongerede doen raken ten aanzien van [eiser] onrechtmatig maken zijn niet gesteld.
De conclusie luidt dan ook dat [eiser] reeds om deze redenen niet ontvankelijk dient te worden verklaard in alle vorderingen.
4.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente Breda worden begroot op:
- vast recht 251,00
- salaris procureur 1.536,00 (4 punt × tarief EUR 384,00)
Totaal EUR 1.787,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente Breda tot op heden begroot op EUR 1.787,00;
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2008.