ECLI:NL:RBBRE:2008:BG5929
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Berekening heffingsrente over volledige tweede helft van het jaar ondanks late ontvangst inkomen
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de berekening van heffingsrente over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006, waarbij een bedrag van € 2.232 aan heffingsrente in rekening was gebracht. De discussie betrof of heffingsrente ook berekend mag worden over de periode van 1 juli tot en met 29 december 2006, terwijl de extra inkomsten pas op 29 december 2006 werden ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke regeling in artikel 30f, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voorschrijft dat heffingsrente wordt berekend vanaf de dag na het midden van het belastingjaar tot aan de dag van dagtekening van het aanslagbiljet. Dit betekent dat heffingsrente terecht is berekend over de gehele tweede helft van het jaar, ongeacht het moment van ontvangst van het inkomen.
Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel werd verworpen, omdat er geen toezeggingen of bewuste standpuntbepalingen waren die de inspecteur binden en omdat de berekeningswijze dwingend is voorgeschreven in de AWR. Ook het beroep op de onredelijkheid van de wet faalde wegens de rechterlijke terughoudendheid bij het toetsen van de innerlijke waarde van de wet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de berekening van heffingsrente is ongegrond verklaard.