ECLI:NL:RBBRE:2008:BG6454

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
27 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07-4518
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 AWRArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid prematuur beroep tegen niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en een vergrijpboete over het jaar 2003. Nadat de inspecteur niet tijdig op het bezwaar had beslist, diende belanghebbende een beroep in tegen het uitblijven van die uitspraak. De rechtbank oordeelde dat op het moment van het indienen van het beroep de inspecteur nog niet in gebreke was volgens de toen geldende wettelijke termijn van één jaar voor uitspraak op bezwaar.

Daarom werd het beroep prematuur en niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank benadrukte dat deze niet-ontvankelijkheid de verplichting van de inspecteur om alsnog uitspraak te doen op bezwaar niet wegneemt. Belanghebbende kan tegen die uitspraak vervolgens beroep instellen.

De rechtbank concludeerde dat belanghebbende niet in zijn procesbelangen wordt geschaad door de niet-ontvankelijkheid van het beroep en wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter C.A.F.M. Stassen op 27 november 2008.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/4518
Uitspraakdatum: 27 november 2008
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Met dagtekening 28 april 2006 is aan belanghebbende over het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.208, alsmede bij beschikking een vergrijpboete vastgesteld van € 5.248.
1.2. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 18 januari 2006, die in een envelop met poststempel 20 januari 2006 is ingekomen bij de inspecteur, bezwaar gemaakt.
1.3. Bij brief van 18 december 2006, bij de rechtbank ingekomen op 21 december 2006, komt belanghebbende in beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de onderhavige aanslag en de daarbij gelijktijdig opgelegde vergrijpboete. Ter zake van de beroepen geregistreerd onder de procedurenummers 06/6221, 07/35, 07/36, 07/37, 07/39 en 07/4518 heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.
1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.
1.6. De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota ingediend. Van deze pleitnota is een afschrift verstrekt aan belanghebbende.
1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2008 te [woonplaats]. Daar zijn gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 06/6221, 07/35 tot en met 07/39 en 07/4518. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en zijn gemachtigde. Alsmede de inspecteur.
2. Motivering
2.1. Tot op de dag van de zitting heeft de inspecteur geen uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de aanslag noch op het bezwaar tegen de boetebeschikking.
2.2. Aan belanghebbende is bij aanslagbiljet met dagtekening 28 april 2006 de onderhavige aanslag opgelegd. Bij brief van 18 januari 2006 is belanghebbende in bezwaar gekomen tegen de aanslag. In het kader van het uitblijven van een uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende op 18 december 2006 beroep aangetekend. Gelet op het bepaalde in artikel 25, eerste en tweede lid van de AWR (tekst tot en met 31 december 2007), waarin is bepaald dat de inspecteur binnen één jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop doet, was de inspecteur in het onderhavige geval niet in gebreke op het moment dat belanghebbende zijn beroepschrift indiende. Belanghebbendes beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de inspecteur is dan ook prematuur.
2.3. Het voorgaande brengt met zich mee dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit - in dit geval het niet doen van een uitspraak op het op 18 januari 2006 gedagtekende bezwaarschrift - niet-ontvankelijk is. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. De omstandigheid dat het beroep niet-ontvankelijk is laat onverlet de verplichting van de inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen (artikel 6:20, eerste lid, Awb). Daartegen kan belanghebbende in dat geval dan binnen zes weken beroep instellen. Belanghebbende wordt derhalve niet in zijn procesbelangen geschaad ingeval het onderhavige beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2.4. Op grond van het vorenoverwogene moet beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 27 november 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.