Art. 7:1a AwbArt. 9 lid 1 onderdeel i Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 16 lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Artikel 1 overeenkomst 24 mei 2004Afdeling 8.2.6 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aftrekbaarheid winstuitkering aan stichting in vennootschapsbelasting 2004
Belanghebbende exploiteert een onderneming gericht op talenonderwijs en heeft al haar aandelen in eigendom van een stichting. In 2004 heeft belanghebbende een winstuitkering van €650.000 gedaan aan deze stichting. De inspecteur betwistte de aftrekbaarheid van deze betaling op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onder meer omdat belanghebbende geen fondsenwerver zou zijn en er sprake zou zijn van ernstige concurrentieverstoring.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende wel als fondsenwerver kan worden aangemerkt en dat de overeenkomst van 24 mei 2004 voldoet aan de wettelijke vereisten voor aftrek. De stelling van de inspecteur dat sprake is van ernstige concurrentieverstoring wordt verworpen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de stichting de gelden terugstort aan belanghebbende tegen niet-zakelijke voorwaarden.
Ook het subsidiaire verweer dat de overeenkomst geen terugwerkende kracht zou hebben, wordt verworpen vanwege de contractuele bepalingen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag tot een belastbaar bedrag van €38.661 en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag vennootschapsbelasting 2004 tot een belastbaar bedrag van €38.661.
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/612
Uitspraakdatum: 30 juli 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],
eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
Rechtstreeks beroep
Belanghebbende heeft met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, rechtstreeks beroep ingesteld tegen de aan haar met dagtekening 16 december 2006 voor het jaar 2004 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 688.661.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2008 en 16 juli 2008. Op 23 april 2008 zijn verschenen en gehoord directeur van belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur. Op 16 juli 2008 zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde alsmede de inspecteur.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van 38.661;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 966, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;
- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende exploiteert een onderneming, ten doel hebbende het geven van talenonderwijs, het ontwikkelen van methodes voor talenonderwijs en het bevorderen van onderwijs, zowel in het binnenland als in het buitenland. Alle (gecertificeerde) aandelen in belanghebbende worden gehouden door de [stichting].
2.2. Op 24 mei 2004 hebben belanghebbende, de [stichting] en de Stichting Administratiekantoor [kantoor] een schriftelijke overeenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat belanghebbende de met haar werkzaamheden behaalde en over enig boekjaar, voor vrije uitkering beschikbare winst, zoals vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders, binnen zes maanden na afloop van het boekjaar geheel of nagenoeg geheel dient uit te keren aan de [stichting].
2.3. Op 12 mei 2005 heeft belanghebbende aan de [stichting] een winstuitkering van € 650.000 doen toekomen.
2.4. In geschil is of de betaling van € 650.000 van belanghebbende aan de [stichting] aftrekbaar is van de winst van het jaar 2004 van belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de inspecteur de volgende stellingen aangevoerd:
? belanghebbende is geen fondsenwerver zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel i van de Wet;
? de overeenkomst van 24 mei 2004 kan niet worden aangemerkt als een overeenkomst als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet;
? er is sprake van een ernstige concurrentieverstoring.
De inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt dat slechts een bedrag van € 394.263 aftrekbaar is van de winst.
2.5. Ter zitting is komen vast te staan dat de inspecteur niet langer bestrijdt dat de [stichting] moet worden aangemerkt als een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet.
2.6. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen fondsenwerver is zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet, omdat haar activiteiten niet kenbaar zijn gericht op de verkrijging van gelden ten bate van een algemeen nut beogende instelling. De rechtbank volgt de inspecteur niet in deze stelling. Artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet vereist niet dat het kenbaar is dat de activiteiten zijn gericht op de verkrijging van gelden ten bate van een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid, van de Wet.
2.7. De rechtbank volgt de inspecteur ook niet in zijn stelling dat de overeenkomst van 24 mei 2004 niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet, omdat in de overeenkomst onder meer het volgende is bepaald:
“5. deze overeenkomst eindigt evenwel:
(…)
- indien naar het oordeel van de ten aanzien van fondswerver competente
eenheid van de Belastingdienst, danwel de belastingrechter in hoogste
instantie, sprake is van een ernstige concurrentieverstoring in de zin van artikel 9, lid 1, onderdeel i, Wet op de vennootschapsbelasting 1969.”
Volgens de tekst van artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet en de parlementaire behandeling van het wetsontwerp dat heeft geleid tot die wettelijke bepaling, geldt als vereiste voor de in geding zijnde aftrek, onder meer, dat de fondswervende instelling ingevolge de statuten of op grond van een schriftelijke overeenkomst verplicht moet zijn om haar winst aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid, van de Wet uit te keren (MvT, Kamerstukken II, 2001-2002, 23 084, nr. 3 blz. 24). De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst van 24 mei 2004 de door de wetgever vereiste verplichting inhoudt. De omstandigheid dat de overeenkomst geëindigd kan worden zodra voormelde ontbindende voorwaarde intreedt, doet hier niet aan af.
2.8.1. De stelling van de inspecteur dat sprake is van ernstige concurrentieverstoring wordt door de rechtbank verworpen. Zoals blijkt uit de tekst van artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet komen de uitgaven niet in aftrek indien als gevolg van de aftrek ernstige concurrentieverstoring optreedt. De rechtbank is van oordeel dat, nu belanghebbende al haar winsten afstoot aan de [stichting], niet zonder meer geoordeeld kan worden dat als gevolg van de aftrek ernstige concurrentieverstoring optreedt.
2.8.2. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat, indien de [stichting] de van belanghebbende ontvangen gelden terugstort in of anders dan tegen zakelijke voorwaarden terugleent aan belanghebbende en belanghebbende daardoor haar prijzen naar beneden aan kan passen, als gevolg van de aftrek ernstige concurrentieverstoring zou kunnen optreden. De inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in onderhavig geval voordoet.
2.9. De inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt dat een overeenkomst als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet, die in de loop van het jaar is opgemaakt geen terugwerkende kracht kan hebben en dat derhalve de dividenduitkering deels niet aftrekbaar is. Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank niet juist, nu in artikel 1 vanPro de overeenkomst van 24 mei 2004 het volgende is bepaald:
“1. fondswerver zal de met haar werkzaamheden behaalde en over enig boekjaar, voor vrije uitkering beschikbare winst, zoals vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders, binnen zes maanden na afloop van het boekjaar geheel of nagenoeg geheel uitkeren aan ontvanger;”
Uit deze bepaling volgt naar het oordeel van de rechtbank voor belanghebbende de verplichting om ook de winst die gerealiseerd is in de periode liggende tussen 1 januari 2004 en 24 mei 2004 aan de [stichting] uit te keren.
2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.
3. Proceskosten
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2008 door mr. J.J.J. Engel, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Spierings-van Kessel, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;