ECLI:NL:RBBRE:2008:BH6548
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid winstuitkering aan stichting in vennootschapsbelasting 2004
Belanghebbende exploiteert een onderneming gericht op talenonderwijs en heeft al haar aandelen in eigendom van een stichting. In 2004 heeft belanghebbende een winstuitkering van €650.000 gedaan aan deze stichting. De inspecteur betwistte de aftrekbaarheid van deze betaling op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onder meer omdat belanghebbende geen fondsenwerver zou zijn en er sprake zou zijn van ernstige concurrentieverstoring.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende wel als fondsenwerver kan worden aangemerkt en dat de overeenkomst van 24 mei 2004 voldoet aan de wettelijke vereisten voor aftrek. De stelling van de inspecteur dat sprake is van ernstige concurrentieverstoring wordt verworpen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de stichting de gelden terugstort aan belanghebbende tegen niet-zakelijke voorwaarden.
Ook het subsidiaire verweer dat de overeenkomst geen terugwerkende kracht zou hebben, wordt verworpen vanwege de contractuele bepalingen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag tot een belastbaar bedrag van €38.661 en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag vennootschapsbelasting 2004 tot een belastbaar bedrag van €38.661.