ECLI:NL:RBBRE:2008:BK5216

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
31 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/5458
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Hund
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Art. 3 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Afdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens onjuiste kwalificatie personenauto

Belanghebbende was houder van een auto waarvoor motorrijtuigenbelasting werd betaald tegen het bestelautotarief. De inspecteur stelde vast dat het personenautotarief van toepassing was en legde een naheffingsaanslag en boete op. De kern van het geschil betrof de vraag of de auto door de aanwezigheid van houten kisten in de laadruimte als personenauto moest worden aangemerkt.

De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij de inspecteur lag en dat deze onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de auto was ingericht voor personenvervoer. De kisten waren in de lengterichting geplaatst, verwijderbaar en dienden als opbergruimte en zitplaats voor honden, zonder gordels in de laadruimte. Dit was onvoldoende om de auto als personenauto te kwalificeren.

Daarom werden de naheffingsaanslag en boetebeschikking vernietigd. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De naheffingsaanslag en boetebeschikking motorrijtuigenbelasting zijn vernietigd omdat de auto niet als personenauto kwalificeert.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/5458
Uitspraakdatum: 31 januari 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[eiser], wonende te Bergen, eiser,
en
[inspecteur], verweerder.
Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
06/5458
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 29 september 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting alsmede de daarbij opgelegde boetebeschikking.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote en zijn gemachtigde [naam], verbonden aan [kantoor], alsmede namens de inspecteur, [naam], [naam], [naam] en [naam].
1. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 402,50 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;
gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende is sinds [datum] 2003 houder van de auto van het merk [merk], type [type], met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto).
2.2. Op 8 oktober 2003 heeft de inspecteur geconstateerd dat de ter zake verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet naar het juiste tarief was voldaan. Belanghebbende heeft steeds betaald naar het bestelautotarief terwijl volgens de inspecteur had moeten worden betaald naar het personenautotarief. Voor het verschil is, over de periode van [5 april] 2003 tot en met 4 januari 2004, een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 876. De daarbij opgelegde boete bedraagt ook € 876.
2.3. Ingevolge artikel 2 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) valt een motorvoertuig op drie of vier wielen, ingericht voor personenvervoer, onder de definitie van personenauto. Op grond van artikel 3 van Pro de Wet wordt onder personenauto mede verstaan een motorrijtuig met een maximum massa van 3500 kg of minder met een laadruimte, zulks met uitzondering van een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en overigens voldoet aan de eisen van dat artikel.
2.4. Vaststaat dat belanghebbende houten kisten in zijn auto had aangebracht. Deze kisten waren in de lengterichting en op een metalen frame geplaatst. Het metalen frame was met vier schroeven aan de laadvloer bevestigd. De kisten zijn inmiddels verwijderd. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de kisten als opbergruimte werden gebruikt, opdat er zich geen losliggende lading in de auto bevond. Het doel van deze constructie was om de veiligheid van belanghebbendes honden die in de laadruimte werden vervoerd, tijdens de rit te garanderen. Voorts heeft hij verklaard dat de kisten gemakkelijk te verwijderen waren. Op de kisten konden losse kussens geplaatst worden, waardoor de kisten tijdens stilstand ook als zitplaats konden fungeren.
2.5. In geschil is of de aanwezigheid van kisten in de laadruimte ten tijde van de controle met zich meebrengt dat de auto in zodanige staat is gebracht dat er sprake is van een personenauto. De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast in het onderhavige geval op de inspecteur rust, nu er sprake is van een naheffingsaanslag.
2.6. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanwezigheid van de bekisting met zich meebracht, dat de auto ten tijde van de controle was ingericht voor personenvervoer. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de kisten waren aangebracht in de lengterichting van de auto en er zich geen gordels in de laadruimte bevonden. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende geen kinderen heeft. De omstandigheid dat de kisten mede als zitplaats gebruikt konden worden, is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen komen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een personenauto als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. Nu niet gesteld is of aannemelijk geworden is dat de auto in dat geval op grond van artikel 3 van Pro de Wet als personenauto moet worden aangemerkt, heeft de rechtbank de naheffingsaanslag en de bijbehorende boete vernietigd.
3. Proceskosten
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Nu de zaken van belanghebbende met procedurekenmerken 06/5489 en 06/2467 samenhangende zaken zijn als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit, heeft de rechtbank in ieder van deze zaken een kostenvergoeding van € 402,50 toegekend.
Deze uitspraak is gedaan op 31 januari 2008 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 februari 2008
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.