ECLI:NL:RBBRE:2008:BM6359
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting wegens onterechte aftrek scholingsuitgaven
Belanghebbende, met de Russische nationaliteit en woonachtig in Nederland tussen 1991 en 2004, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2003 een bedrag van € 64.123 aan scholingsuitgaven voor zijn kinderen in aftrek. De inspecteur stelde na controle vast dat belanghebbende niet aan de voorwaarden voor aftrek voldeed en legde een navorderingsaanslag op.
De kern van het geschil betrof de vraag of de inspecteur gerechtigd was tot navordering op grond van artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). De rechtbank oordeelde dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de voorwaarden voor navordering waren vervuld, maar dat de navordering alleen mogelijk was indien belanghebbende te kwader trouw was.
De rechtbank achtte bewezen dat belanghebbende via het digitale aangifteprogramma voldoende was gewezen op de voorwaarden voor aftrek en dat hij zich bewust had moeten zijn van de risico's van een onjuiste aangifte. Zijn stelling dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, werd verworpen als een omstandigheid die voor zijn risico moest blijven. Hierdoor werd geconcludeerd dat belanghebbende willens en wetens de kans op een onjuiste aangifte had aanvaard, wat kwade trouw oplevert.
Op grond hiervan werd de navorderingsaanslag terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De navorderingsaanslag is terecht opgelegd omdat belanghebbende te kwader trouw was bij de onjuiste aftrek van scholingsuitgaven.