ECLI:NL:RBBRE:2008:BM9935
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing gecombineerde inkomensheffing bij aanslag inkomstenbelasting 2004
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2004 waarbij een fout was gemaakt in de formele belastingschuld van haar partner, die nihil was vastgesteld ondanks een materiële belastingschuld van €2.651. De kern van het geschil betrof de uitleg van de term 'verschuldigde gecombineerde inkomensheffing' in artikel 8.9 lid 2 Wet IB 2001, waarbij belanghebbende stelde dat de materiële belastingschuld leidend moest zijn.
De rechtbank overwoog dat de bijzondere verhoging van de gecombineerde heffingskorting een korting betreft op de feitelijk geheven belasting en dat daarom de formele belastingschuld bepalend is, ook als daarin een fout is geslopen. De koppeling tussen het recht op heffingskorting en de formele belastingschuld leidt niet tot een schending van artikel 6 EVRM Pro of artikel 16 AWR Pro.
De rechtbank wees het beroep af en stelde dat de aanslag terecht was opgelegd. Tevens werd opgemerkt dat het aan de partner was om een verzoek tot navordering in te dienen om het recht op heffingskorting te corrigeren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2004 is ongegrond verklaard en de aanslag is bevestigd.