ECLI:NL:RBBRE:2009:BH4358
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bakx
- De Graaf
- Ebben
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs en fouten politieonderzoek in zedenzaak
De rechtbank Breda behandelde op 2 maart 2009 de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van ontucht met zijn minderjarige kinderen en het vervaardigen, verspreiden en bezit van kinderporno. Tijdens het politieonderzoek werden aanzienlijke fouten geconstateerd, met name bij de studioverhoren van een van de minderjarige aangevers en de verhoren van verdachte zelf. De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) concludeerde dat de verhoren onprofessioneel en niet objectief waren, wat de betrouwbaarheid van de bekentenissen ernstig aantastte.
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens grove veronachtzaming van de belangen van verdachte en schending van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank oordeelde echter dat er geen aanwijzingen waren voor doelbewust of grove nalatigheid door de opsporingsambtenaren en dat de zwaarste sanctie niet op zijn plaats was. Wel werd bewijsuitsluiting toegepast op de bekentenissen van verdachte.
De rechtbank achtte het bewijs onvoldoende om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de ten laste gelegde feiten had begaan. De verklaringen van de minderjarige kinderen werden met argwaan bekeken, mede vanwege de invloed van gesprekken binnen het gezin. Verdachte werd daarom vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De vorderingen van de benadeelde partijen werden afgewezen wegens de vrijspraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en fouten in het politieonderzoek, met bewijsuitsluiting van bekentenissen.