ECLI:NL:RBBRE:2009:BH6859

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
28 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/4163
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Afdeling 8.2.6 AwbArt. 27d AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet aannemelijk gemaakte badwill bij waardering activa

Belanghebbende, een B.V., heeft activa gekocht uit de failliete boedel van een andere B.V. voor €75.000, terwijl zij stelde dat de werkelijke waarde €498.557 bedroeg. Zij wilde de activa op de fiscale balans opnemen tegen de economische waarde en het verschil als badwill passiveren.

De rechtbank overweegt dat activa in beginsel worden gewaardeerd tegen de overnameprijs en dat de bewijslast voor een afwijkende waardering bij belanghebbende ligt. Badwill wordt gedefinieerd als het verschil tussen aankoopprijs en hogere intrinsieke waarde veroorzaakt door onderrentabiliteit. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van onderrentabiliteit, mede omdat de curator verklaarde dat geen korting voor onderrentabiliteit was gegeven.

Een fax van een taxateur met een hogere waardering werd niet als doorslaggevend beschouwd vanwege gebrek aan detaillering en omdat het niet vaststaat dat onderrentabiliteit de reden was voor de lagere prijs. Ook het betoog dat sprake was van een going-concern overname werd verworpen, omdat alleen activa werden gekocht.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting wordt ongegrond verklaard omdat badwill niet aannemelijk is gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/4163
Uitspraakdatum: 28 januari 2009
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende] B.V., statutair gevestigd te [woonplaats],
eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 11 september 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 92.424.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de gemachtigde te [woonplaats], alsmede, de inspecteur.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende heeft, bij overeenkomst van 11 juli 2003, voor een bedrag van € 75.000 activa verkregen uit de failliete boedel van [BV] Belanghebbende stelt dat de activa een werkelijke waarde hadden van € 498.557.
2.2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende de overgenomen activa in het onderhavige jaar mocht waarderen op € 498.557 en of ter zake van het verschil met de overnameprijs van € 75.000, een post badwill, ad € 423.557, mocht worden gepassiveerd op de fiscale balans.
2.3. De rechtbank overweegt dat van een zakelijk handelende verkoper overgenomen activa als hoofdregel worden gewaardeerd op de overnameprijs. Nu belanghebbende zich beroept op een daarvan afwijkende waardering, rust op haar de bewijslast voor de juistheid hiervan.
2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat onder badwill moet worden verstaan het door onderrentabiliteit veroorzaakt verschil tussen de aankoopprijs van een onderneming en de hogere intrinsieke waarde daarvan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat in verband met onderrentabiliteit minder voor de activa is betaald dan de intrinsieke waarde daarvan. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de curator in het faillissement van de verkopende vennootschap heeft verklaard dat geen korting is gegeven voor onderrentabiliteit en dat hierover in het geheel niet is gesproken.
2.5. Aan het in 2.4 overwogene doet niet af dat belanghebbende een fax van een taxateur heeft overgelegd waarin staat dat de overgenomen inventaris een waarde heeft van € 285.000 en de overgenomen voorraad een waarde van € 250.000. Daargelaten dat deze waardering, blijkens de fax, plaats heeft gehad in opdracht van een verzekeringsmaatschappij, kan deze, naar het oordeel van de rechtbank, wegens gebrek aan detaillering en informatie over de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, niet als van doorslaggevende betekenis voor de waardebepaling van de onderhavige activa worden aangemerkt. Voorts overweegt de rechtbank dat zelfs indien de activa de door belanghebbende genoemde waarden in het economische verkeer hadden, hiermee voor de rechtbank nog niet vaststaat dat onderrentabiliteit de reden was om hiervoor minder te betalen.
2.6. De rechtbank acht belanghebbendes betoog dat een bedrijf is overgenomen dat going-concern moet worden gewaardeerd onjuist. Blijkens de in 2.1 genoemde overeenkomst wordt geen onderneming overgenomen, maar worden activa aangekocht. Dat in de overeenkomst tevens is bepaald dat belanghebbende de huurovereenkomst betreffende het bedrijfspand kan overnemen en dat met de vier werknemers van de verkopende vennootschap nieuwe arbeidsovereenkomsten zullen worden gesloten, brengt hierin geen verandering.
2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
2.8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 28 januari 2009 door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr. D. Hund en mr. R.W. Otto, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.